Wijziging interbestuurlijk toezicht en de gevolgen voor gemeenten in kinderopvang

Op 1 oktober 2012 is de Wet revitalisering generiek toezicht in werking getreden, die voor verschillende gemeentelijke taken grote wijzigingen brengt in het interbestuurlijk toezicht tussen rijk en gemeente.  Voor de registratie-, toezichts- en handhavingstaken van de gemeente op het gebied van kinderopvang en peuterspeelzalen, verandert er in de praktijk van het interbestuurlijk toezicht niet veel.

Situatie voor 1 oktober 2012Situatie vanaf 1 oktober 2012Wijziging
 

Jaarverslag en eventuele aanvullende toezichtsinformatie

Wko: jaarverslag voor kinderopvang (art. 1.67 en 1.69) en peuterspeelzaalwerk (art. 2.25).Betreffende artikelen over de jaarverslagen zijn vervallen.De afspraken tussen SZW, Inspectie van het Onderwijs en VNG m.b.t. de toezichtsinformatie is inhoudelijk niet ingrijpend anders dan het jaarverslag. Over de bekendmaking van de gegevens worden nog afspraken gemaakt, in een aparte regeling. De gemeente dient dan op basis van die regeling via een vastgelegd model informatie aan te leveren (vermoedelijk voor 1 juli). De term jaarverslag verdwijnt dus wellicht wel formeel, maar feitelijk verandert er niets. Die regeling is in de maak en zou op 1 jan. 2013 in moeten gaan.
BeleidsinformatieDe Wko kende geen wettelijke basis voor de uitvraag van beleidsinformatie door de minister.Nieuwe artikelen 1.68 en 2.25 Wko waarin geregeld wordt dat de minister gegevens en inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en beleidsvorming en de statistiek nodig heeft, kan uitvragen. Deze gegevens worden vooraf afgestemd met de VNG.De insteek is dat als er een wens is voor beleidsinformatie, deze zoveel mogelijk via DUO (vanuit LRKP en GIR) gegenereerd wordt, zodat gemeenten zo min mogelijk belast worden.
 

 

Bevoegdheid toezicht

Art 1.68 lid 1 Wko regelde het interbestuurlijk toezicht van de minister m.b.t. kinderopvang.De Wet revitalisering generiek toezicht regelt d.m.v. een wijziging op de gemeentewet de maatregelen door het rijk. Voor de meeste wettelijke taken van gemeenten wordt dit bij de provincie neergelegd (de ‘normale procedure’). Voor de gemeentelijke taken in of krachtens de Wko is de minister van SZW aangewezen . 

De bevoegdheid van het toezicht was en blijft bij de minister van SZW m.b.t. kinderopvang.

Ook de bevoegdheid voor het toezicht op de gemeentelijke taken m.b.t. kwaliteitseisen peuterspeelzaalwerk is vanaf 1 okt. 2012 bij de minister neergelegd.

Maatregelen bij niet voldoen aan wettelijke takenDe minister kon een aanwijzing geven bij niet nakomen taken m.b.t. kinderopvang (art. 1.68 lid 3 Wko) en taken van de gemeente (laten) overnemen m.b.t. peuterspeelzaalwerk (art. 2.26 Wko). 

Betreffende artikelen in de Wko zijn vervallen. Volgend uit de gemeentewet zijn er twee verschillende maatregelen binnen het generieke toezicht die de minister kan toepassen:

  1. indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing;
  2. schorsing en vernietiging van besluiten
De Gemeentewet is leidend voor de maatregelen. Er zijn geen specifieke maatregelen meer in de Wko..
ToezichthouderIn art. 1.68 lid 2 Wko  was de IvhO aangewezen als toezichthouder m.b.t. interbestuurlijk toezicht kinderopvang.Aanwijzingsregeling ambtenaren interbestuurlijk toezicht Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in werking getreden. Daarin wordt de IvhO aangewezen als toezichthouder op de gemeentelijke taken in of krachtens de Wko.Toezichthouder m.b.t. gemeentelijke taken kinderopvang was en blijft de IvhO. Zij zijn nu ook aangewezen m.b.t. gemeentelijke taken peuterspeelzaalwerk.

Meer informatie: wijzigingen in de Gemeentewet door de Wet revitalisering generiek toezicht

Bron :

Deel dit artikel