Vragen en antwoorden ontwerpbesluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 mei 2017

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 10 maart 2017 over het ontwerpbesluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Kamerstuk 31 322, nr. 329).

 

De vragen en opmerkingen zijn op 7 april 2017 aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 4 mei 2017 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie,Bosman

Adjunct-griffier van de commissie,Haveman-Schüssel

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Algemeen

Op een aantal plaatsen in het ontwerpbesluit wordt verwezen naar nadere uitwerking in lagere regelgeving, zoals ten aanzien van de kwalificatie- en opleidingseisen aan de beroepskrachten en pedagogisch beleidsmedewerkers, alsmede aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wanneer deze regelgeving bekend zal zijn. Wanneer zal de Kamer hierover worden geïnformeerd? Geeft de bekendmaking voldoende tijd aan de sector om te voldoen aan de kwalificatie- en opleidingseisen?

Met het ontwerpbesluit wordt een herijking en harmonisatie van kwaliteitseisen doorgevoerd. Eisen die ook gaan gelden voor peuterspeelzalen. Deze harmonisatie zal mogelijk aan houders van kindcentra grote inspanningen vragen om te kunnen voldoen aan alle eisen, ook bij een implementatie tijd van een half jaar. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister hoe er zal worden omgesprongen met die situaties waarbij duidelijk is dat er inspanningen worden geleverd door de houder om te voldoen aan alle eisen, maar deze voor de datum van 1 januari 2018 nog niet gereed zijn.

Dezelfde vraag willen de leden van de VVD-fractie stellen ten aanzien van de datum van 1 januari 2019 voor pedagogisch beleidsmedewerkers. De Minister constateert dat er zo’n 2.000 fte nodig zal zijn om aan de vraag van geschoold personeel te voldoen. De sectorpartijen geven aan dat het lastig zal zijn om dit te halen. Kan de Minister aangeven hoe hij met die houders omgaat die inspanningen hebben geleverd om gekwalificeerd personeel aan te trekken, maar bij wie dit nog niet gelukt is voor 1 januari 2019?

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister naar de pilots innovatieve opvang, die zullen worden opgestart zoals afgesproken in het akkoord innovatie en kwaliteit kinderopvang. Deze pilots moeten nagaan welke mogelijkheden er zijn om door maatwerk de innovatie en de pedagogische kwaliteit te versterken. Kan de Minister aangeven wanneer er met deze pilots gestart zal worden? Hoe zal de Kamer over deze pilots worden geïnformeerd? En kan de Minister aangeven of hierbij niet alleen de sectorpartijen worden betrokken, maar ook innovatieve ondernemers vanuit de branche?

In de aangenomen motie van het lid Van ’t Wout c.s. (Kamerstuk 34 596, nr. 13) wordt de regering verzocht bij de uitwerking van de lagere regelgeving een bedrijfseffectentoets uit te voeren om zo de regeldrukeffecten in kaart te brengen van zowel de afzonderlijke lagere regelgeving, als cumulatief. Daarnaast verzoekt dezelfde motie de Kamer hierover te informeren, dan wel dit toe te voegen aan de uitwerking van de lagere regelgeving. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat de resultaten van de bedrijfseffectentoets zijn voor voorliggend ontwerpbesluit. Kan de Minister hier nader op ingaan?

Tijdens de wetsbehandeling hebben de leden van de VVD-fractie gevraagd om bij de uitwerking in lagere regelgeving naast de sectorpartijen ook individuele ondernemers te betrekken. Ondernemers met een innovatieve kijk op de branche. Kan de Minister aangeven in hoeverre er gesprekken zijn gevoerd met dergelijke ondernemers?

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen dagopvang en buitenschoolse opvang

Onder artikel 5 wordt onder voetnoot 1 aangegeven dat er een wetstechnische samenloop bestaat tussen onderhavig ontwerpbesluit en een conceptbesluit dat op 3 november 2016 ter consultatie op internet is geplaatst. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat deze samenloop betekent voor onderhavig ontwerpbesluit. Kan deze samenloop nog op enige manier van invloed zijn op onderhavig ontwerpbesluit?

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wanneer de genoemde rekentools in het ontwerpbesluit, zoals genoemd in artikel 7, tweede lid, beschikbaar zullen zijn voor de kindcentra.

Onder artikel 7, vijfde lid, wordt de eis gesteld dat er tevens een volwassene telefonisch bereikbaar moet zijn die binnen vijftien minuten in het kindcentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister hoe een houder kan aantonen aan deze eis te voldoen. Hoe wordt deze eis van 15 minuten berekend, op basis van welk vervoersmiddel en welke redelijkheid wordt hierbij in acht genomen?

Wat betreft de buitenruimte wordt in artikel 10, derde lid, en artikel 19i, derde lid, de eis gesteld dat een kindcentrum/peuterspeelzaal ten minste 3m² vaste buitenspeelruimte per in het kindcentrum aanwezig kind dient te hebben. Voor kinderen tot twee jaar gaat het om een ruimte aangrenzend aan het kindcentrum en voor kinderen vanaf twee jaar aangrenzend aan het gebouw waarin het kindcentrum gevestigd is. Bij een peuterspeelzaal wordt de eis van 3m² gesteld, ongeacht leeftijd. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister of dit tot moeilijkheden zal gaan leiden bij peuterspeelzalen en andere kindcentra, om aan deze eis te voldoen? Zo ja, welke ruimte kan de Minister bieden om hier rekening mee te houden zonder dat dit grote gevolgen heeft voor het kindcentrum?

Het vierogenprincipe wordt ook in de buitenschoolse opvang doorgevoerd in dit ontwerpbesluit, zoals valt op te maken uit artikel 13, vierde lid. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister of het doorvoeren van het vierogenprincipe in de buitenschoolse opvang (bso) niet tot zeer ingewikkelde situaties zal gaan leiden, gezien de aard van de buitenschoolse opvang. Uit een brief van vijf organisaties (Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang (BMK), Brancheorganisatie Kinderopvang (BK), Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang (BOinK), Sociaal Werk Nederland (SWN), FNV Zorg en Welzijn) die de Kamer heeft mogen ontvangen komt naar voren dat deze zorg door genoemde organisaties wordt gedeeld. Het doorvoeren van het vierogenprincipe in de buitenschoolse opvang zal naast moeilijke situaties leiden tot een investering van vier in plaats van twee medewerkers op de bso-groep. Dit wordt financieel niet haalbaar geacht door de buitenschoolse opvang organisaties. Kan de Minister hier nader op ingaan en deelt de Minister deze zorgen?

Nota van Toelichting

Hoofdstuk 2. Hoofdlijnen van het besluit

In paragraaf 2.2 Herijking van de kwaliteitseisen wordt onder e. verwezen naar meer ruimte voor maatwerk in de kwaliteitseisen waar dit wenselijk is. In de derde alinea wordt verwezen naar de afwijkende inzet van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten. In het onderhavige ontwerpbesluit worden geen tijdsvakken meer opgenomen, in plaats daarvan moet de houder in zijn pedagogisch beleidsplan opnemen op welke tijden afgeweken kan worden. De ouders dienen hierover geïnformeerd te worden middels een beschrijving. Deze beschrijving dient de exacte tijden waarop kan worden afgeweken te bevatten. Hierbij mag niet worden volstaan met tijdsvakken, zoals staat te lezen in het ontwerpbesluit. Dit zou meer maatwerk moeten bieden aan houders. De leden van de VVD-fractie vinden het goed dat er meer ruimte voor maatwerk wordt geboden aan de houder, maar vragen de Minister of door de eis van de exacte tijden in de beschrijving op te nemen dit niet tot extra administratieve lasten zal leiden voor de houder.

Hoofdstuk 3. Gevolgen

Ten aanzien van de financiële gevolgen vragen de leden van de VVD-fractie de Minister in één overzicht de financiële consequenties van het voorliggende ontwerpbesluit voor respectievelijk de kinderopvang, buitenschoolse opvang als de peuterspeelzalen weer te geven.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister in één overzicht de gevolgen van het voorliggende ontwerpbesluit op de administratieve lasten voor respectievelijk de kinderopvang, buitenschoolse opvang als de peuterspeelzalen weer te geven.

De Minister geeft aan dat als gevolg van het ontwerpbesluit de kosten voor het toezicht zullen toenemen met ongeveer € 1,8 miljoen structureel vanaf 2018. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister hoeveel deze € 1,8 miljoen bedraagt van het totaal aan kosten van het toezicht.

Hoofdstuk 5. Resultaten internetconsultatie

Een zorg van ondernemers is dat ondernemers vanwege de kosten van babyopvang zich voornamelijk gaan richten op de peuters, waardoor op den duur de babyopvang zal verdwijnen. De Minister geeft aan dat de babyopvang al reeds duurder is dan de opvang van peuters. Maar dat het ontwerpbesluit dit verschil nog iets zal versterken. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister nader in te gaan op deze zorgen en hoe er kan worden voorkomen dat door de stijging van de kosten het aanbod van de babyopvang minder zal worden, en daarmee de kosten voor ouders zullen stijgen? De Minister geeft in een reactie aan dat er een onderzoek zal komen naar de kostprijs van de kinderopvang om de druk op de opvang van bepaalde leeftijdsgroepen in kaart te brengen. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wanneer dit onderzoek zal plaatsvinden.

Respondenten op de internetconsultatie geven aan zich zorgen te maken over de beschikbaarheid van personeel op zowel mbo- als hbo-niveau. De Minister geeft aan dat er naar schatting 2.000 fte nodig zijn als gevolg van het aanscherpen van de beroepskracht-kindratio voor baby’s. De Minister geeft aan dat deze fte’s deels kunnen worden opgevuld vanuit boventallige beroepskrachten op de buitenschoolse opvang. De leden van de VVD-fractie vragen om hoeveel fte de Minister verwacht dat het hier gaat. Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of deze boventallige beroepskrachten al reeds voldoende geschoold zijn om aan de eisen te voldoen voor de opvulling van de gevraagde 2.000 fte?

De Minister stelt tevens dat een ander deel van de 2.000 fte zal worden opgevangen door extra personeel. De sector heeft volgens Minister voldoende tijd om extra geschoold personeel te werven door een uitstel van de eis van verplichte inzet van pedagogisch medewerker tot 1 januari 2019. Kan de Minister nader ingaan of er, naast voldoende geschoold hbo-personeel, er voldoende extra mbo-gekwalificeerd personeel zal zijn om aan de eisen die per 1 januari 2018 ingaan te voldoen?

De Minister geeft aan, in reactie op zorgen geuit door een aantal respondenten, in gesprek te gaan met de betrokken sectorpartijen om te bezien hoe de huidige eisen aan de buitenspeelruimte verduidelijkt kunnen worden. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister of dit overleg al heeft plaatsgevonden. Zo ja, wat is hier de uitkomst van? Zo nee, wanneer zal dit overleg plaatsvinden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit Kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en hebben enkele vragen aan de Minister.

Hoe ziet de Minister de balans tussen de verantwoordelijkheid van ouders enerzijds en de rol van de overheid ten aanzien van kinderopvang anderzijds?

Wat bedoelt de Minister met het belang van ruimte voor eigen pedagogische invulling van kinderopvanghouders?

Waarom duurt de uitwerking van de eisen omtrent extra scholing van beroepskrachten zo lang?

Er wordt een minimum taalniveau (3F) aan beroepskrachten geïntroduceerd. Hoe wordt dit gehandhaafd?

Waarom is er volgens de Minister behoefte aan maatwerkpilots om te experimenteren met kwaliteitseisen waaraan de rest van de opvangcentra wel moet voldoen?

Hoe worden kinderopvangmedewerkers in de toekomst gescreend en welke veranderingen zijn er concreet ten opzichte van de huidige situatie?

Hoeveel misstanden in de kinderopvang waren er vorig jaar en welke waren dit? Hoeveel houders dan wel medewerkers zijn strafrechtelijk vervolgd in 2016 naar aanleiding van deze misstanden?

Hoe gaat de toekomstige handhaving en het toezicht eruitzien en wordt er onaangekondigd geïnspecteerd? Zo nee, is de Minister bereid inspecties onaangekondigd te laten plaatsvinden?

Is de Minister van mening dat alle centra genoeg tijd krijgen voor de aanpassingen in kwaliteitseisen voor 1 januari 2018?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie lezen in het ontwerpbesluit het volgende: «In het kader van het inperken van het risico op grensoverschrijdend gedrag, moet de houder in ieder geval beschrijven op welke wijze er invulling wordt gegeven aan het vierogenprincipe. Het vierogenprincipe houdt in dat de opvang zodanig moet worden georganiseerd dat een beroepskracht, beroepskracht in opleiding of stagiair de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. Doel van dit principe is dat het risico op misbruik van kinderen wordt beperkt door te voorkomen dat beroepskrachten zich binnen een kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal gedurende langere tijd ongehoord of ongezien kunnen terugtrekken met een kind.» (Kamerstuk 31 322, nr. 329 p. 32).

Deze passage is opgenomen naar aanleiding van de motie van de leden Yücel en Ulenbelt over het vierogenprincipe als verplicht onderdeel van het veiligheidsplan (Kamerstuk 34 596, nr. 10). Klopt het dat dit volgens dit ontwerpbesluit zou gelden voor alle kinderen binnen een opvang, dus ook voor kinderen tussen de vier en twaalf jaar? Op dit moment is het vierogenprincipe geborgd via een ministeriële regeling, kan de Minister toelichten of het klopt dat het vierogenprincipe nu alleen geldt voor kinderen tussen nul en vier jaar? Kan de Minister toelichten of het ook de bedoeling is van dit ontwerpbesluit dit te wijzigen naar toepassing van het vierogenprincipe voor kinderen tussen vier en twaalf jaar? Als het vierogenprincipe inderdaad voor alle kinderen zou gaan gelden, kan de Minister dan toelichten welke (financiële) gevolgen dit heeft voor de kinderdagverblijven en kindcentra?

De leden van de D66-fractie vragen de Minister verder toe te lichten hoe de verschillende brancheorganisaties binnen de kinderopvang zijn meegenomen in het proces van de totstandkoming van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Kan de Minister toelichten welke punten bij de consultatie zijn aangedragen en hoe deze zijn meegenomen in het Besluit?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit Kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Minister hoe de extra eisen aan ondersteuning, bijvoorbeeld een minimum aantal uren pedagogische beleidsvorming, zich verhouden tot het bieden van meer maatwerk in de regelgeving in de kinderopvang.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen in hoeverre binnen het vierogenprincipe mogelijkheden zijn tot maatwerk in de kinderopvang. Zij vragen ook of het vierogenprincipe voor kinderen van alle leeftijden en in alle situaties zal gelden. Zij vragen of dit een grotere inzet aan personeel zou vergen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister of momenteel in veel gevallen in de buitenschoolse opvang afgeweken wordt van het vierogenprincipe en of de werkwijze van de buitenschoolse opvang verandert als meer aandacht geschonken wordt aan het vierogenprincipe.

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een brief ontvangen van vijf organisatie (BMK, BK, BOinK, SWN, FNV Zorg en Welzijn). Daarin geven zij aan grote bezwaren te hebben tegen het wettelijk vastleggen van het vierogenprincipe voor de bso.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister te reageren op het verzoek van de organisaties om het vierogenprincipe niet voor de bso vast te leggen, en in te gaan op de argumenten van deze organisaties: het doel van de motie van de leden Yücel en Ulenbelt (Kamerstuk 34 596, nr. 10), de financiële gevolgen en de vergelijking met het basisonderwijs en sport- of andere vrijetijdsbestedingen.

Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-fractie de Minister of de aangepaste eisen voor peuterspeelzalen aan binnen- en buitenruimte effecten zal hebben op de capaciteiten van deze peuterspeelzalen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. De leden van de SP-fractie zijn verheugd dat de motie van de leden Yücel en Ulenbelt over het vierogenprincipe is uitgevoerd in het voorliggende ontwerpbesluit (Kamerstuk 34 596, nr. 10). Toch zien zij in de uitvoering wel de nodige problemen. Waarom wordt niet aangesloten bij de aanbevelingen van de commissie-Gunning die vooral de focus had op kinderdagverblijven wat ook door de indieners van de motie werd beoogd? Waarom wordt er in de nota van toelichting (Kamerstuk 31 322, nr. 329, p. 32) gesproken over het vierogenprincipe in het kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal, maar in de tekst van het ontwerpbesluit ook over de buitenschoolse opvang (artikel 13, vierde lid)? Wat is de overweging geweest om dit principe ook van toepassing te verklaren op de buitenschoolse opvang? Wat zijn de ingeschatte consequenties van deze keuze?

Heeft het niet schrappen van artikel 13, vierde lid in het ontwerpbesluit ook geen negatieve financiële gevolgen voor de buitenschoolse opvang? Vindt de Minister het pedagogisch wenselijk om meer medewerkers toe te voegen aan de buitenschoolse opvang? Staat het opnemen van het vierogenprincipe in de buitenschoolse opvang niet haaks op de maatregel dat de beroepskracht-kindratio vanaf zeven jaar met dit ontwerpbesluit van 1 op 10 naar 1 op 12 gaat?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig ontwerpbesluit. De leden hebben nog enkele vragen. Wordt er met dit ontwerpbesluit afgeweken van de aanbevelingen van de commissie-Gunning? Zo ja, op welke punten?

Regelt dit ontwerpbesluit nu dat het vierogenprincipe ook gaat gelden voor de buitenschoolse opvang (voor kinderen van vier tot twaalf jaar)? Zo ja, zijn de mogelijke gevolgen hiervan in kaart gebracht? Is de Minister voornemens om het ontwerpbesluit op dit punt te wijzigen? Zo ja, wanneer kan de Kamer een gewijzigd ontwerpbesluit tegemoet zien?

II Antwoord/Reactie van de Minister

Inleiding

Binnen de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de leden van de fracties van VVD, PVV, D66, GroenLinks, SP en PvdA naar aanleiding van het voorgehangen conceptbesluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk enkele vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Met belangstelling heb ik hiervan kennis genomen en graag ga ik hier in het hiernavolgende op in.

Daarbij volg ik zo veel mogelijk de volgorde van de schriftelijke inbreng van de leden van de fracties. Hier en daar zijn vragen van diverse fracties samengenomen die in elkaars verlengde liggen. Aangezien verschillende fracties vragen hebben gesteld over het vierogenprincipe, heb ik die vragen gebundeld en begin ik met een antwoord op die vragen.

Vierogenprincipe

De leden van de fracties van VVD, D66, GroenLinks, PvdA en SP stellen verschillende vragen over het doorvoeren van het vierogenprincipe in de buitenschoolse opvang. Deze vragen zien op de keuze, de (financiële) gevolgen en waarom niet is aangesloten bij het advies van de commissie-Gunning. Daarnaast wordt gewezen op de brief van de vijf organisaties (BMK, BK, BOinK, SWN, FNV Zorg en Welzijn) en vragen de fracties om in te gaan op de argumenten van de organisaties. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel innovatie en kwaliteit kinderopvang (Handelingen II 2016/17, nr. 53, item 3) is een door de leden Yücel en Ulenbelt ingediende motie aangenomen (Kamerstuk 34 596, nr. 10). Deze motie verzoekt de regering om het vierogenprincipe conform advies commissie Gunning een verplicht onderdeel te maken van het veiligheidsplan en dat vast te leggen in het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. In de motie van de leden Yücel en Ulenbelt wordt geen onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang. Daarom is bij de uitwerking van de motie ervoor gekozen om de motie breed te interpreteren en dit principe zowel voor de dagopvang, het peuterspeelzaalwerk als voor de buitenschoolse opvang als verplicht onderdeel van het veiligheidsplan op te nemen in het conceptbesluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Dit in de veronderstelling dat zo de wens van de Tweede Kamer was uitgevoerd.

Momenteel geldt het vierogenprincipe voor de dagopvang en het peuterspeelzaalwerk. Het doorvoeren van het vierogenprincipe in de buitenschoolse opvang heeft tot veel vragen van de kant van de leden van de fracties van de Tweede Kamer geleid en tevens tot het verzoek van de leden van de PvdA-fractie om dit aan te passen. Daarnaast heeft ook de sector zijn zorgen geuit over het doorvoeren van het vierogenprincipe in de buitenschoolse opvang. Uw Kamer heeft hierover een brief ontvangen op 4 april 2017 (Kamerstuk 34 256, nr. 10).

Naar aanleiding van de vragen van de leden van de fracties en de signalen en zorgen uit de sector, heb ik besloten om de motie van de leden Yücel en Ulenbelt niet breed te interpreteren en het conceptbesluit hierop aan te passen. In het besluit zal ik daarom het vierogenprincipe alleen opnemen als verplicht onderdeel van het veiligheidsplan voor de dagopvang en het peuterspeelzaalwerk en niet voor de buitenschoolse opvang. Ik ga ervan uit dat ik daarmee voldoe aan de wens van de meerderheid van de Tweede Kamer met betrekking tot het vierogenprincipe.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de regelgeving met betrekking tot kwalificatie- en opleidingseisen aan beroepskrachten en pedagogisch beleidsmedewerkers en de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs bekend zullen zijn, wanneer de Kamer hierover wordt geïnformeerd en of dit tijdspad de sector voldoende tijd biedt om hieraan te voldoen.

De planning is om de ministeriële regeling, als ook de Eerste Kamer met het wetsvoorstel innovatie en kwaliteit kinderopvang heeft ingestemd, uiterlijk 1 juli 2017 te publiceren. De inwerkingtreding van de verschillende eisen wordt zo gepland dat de sector voldoende voorbereidingstijd heeft om te voldoen aan de nieuwe eisen. Ik ben over de invulling van de ministeriële regeling in overleg met de partijen uit de sector. Voornemen is om in de ministeriële regeling voor wat betreft de beroepskwalificatie-eisen, zoals dat nu ook gebeurt, te verwijzen naar de cao. Cao-partijen zijn aan zet om in de cao hierover afspraken te maken.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe er zal worden omgesprongen met situaties waarin houders inspanningen hebben geleverd om te voldoen aan de eisen, maar nog niet wordt voldaan op 1 januari 2018.

Houders moeten per ingangsdatum van de wet en de lagere regelgeving voldoen aan de nieuwe eisen. De periode van een half jaar voor implementatie, tussen de data van publicatie en inwerkingtreding, is bij de totstandkoming van het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303) met partijen uit de kinderopvangsector afgesproken.

Het is aan de toezichthouder om de praktijk van de opvang ter plekke te beoordelen en te beoordelen of aan de eisen wordt voldaan. In het geval dat houders niet voldoen aan de gestelde eisen kan de toezichthouder de gemeente adviseren om handhaving in te zetten.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe met houders wordt omgegaan die inspanningen hebben geleverd om pedagogisch beleidsmedewerkers aan te nemen, maar op de ingangsdatum van 1 januari 2019 niet voldoen aan de eisen.

Ook hier geldt dat houders moeten voldoen aan de nieuwe eisen, in dit geval per 1 januari 2019. Kinderopvanginstellingen hebben anderhalf jaar de tijd om zich hierop voor te bereiden. Dat kan door het aantrekken van nieuw personeel of door het omscholen van daarvoor geschikt bestaand personeel.

Het is aan de toezichthouder om de praktijk van de opvang ter plekke te beoordelen en te beoordelen of aan de eisen wordt voldaan. Dat geldt ook voor kwalificatie-eisen. In het geval dat houders niet voldoen aan de gestelde eisen kan de toezichthouder de gemeente adviseren om handhaving in te zetten.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de planning van de pilots innovatieve opvang en hoe de Kamer over de pilots wordt geïnformeerd. Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of naast sectorpartijen ook innovatieve ondernemers worden betrokken.

In 2017 wordt de opzet van de pilots met partijen in de sector ontworpen. In 2018 worden de pilots voorbereid. Onderdeel van de voorbereiding is het opstellen van een algemene maatregel van bestuur (amvb). Deze amvb is nodig om in de pilots af te kunnen wijken van wet- en regelgeving. De concept amvb waarin de pilots worden vormgegeven zal in een op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen verplichte voorhangprocedure met de Kamers worden gedeeld, zodat de betrokkenheid van de Kamers is gegarandeerd. De planning is om de pilots uit te voeren in 2019 en te beëindigen in 2020. Daarna volgt een evaluatie.

Over de opzet van de pilots spreek ik met de vertegenwoordigende partijen in de sector en met individuele ondernemers. Ik gebruik hiervoor bijvoorbeeld het kennisnetwerk kinderopvang, waarin individuele ondernemers meedenken over beleid. Een eerste verkennende bijeenkomst over de opzet van de pilots met deze ondernemers heeft in 2016 plaatsgevonden. Ik ben voornemens om deze lijn door te zetten en ook in de komende periode, naast de vertegenwoordigende partijen betrokken bij het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303), individuele ondernemers te bevragen op hun ideeën.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de resultaten van de bedrijfseffectentoets zijn voor het ontwerpbesluit.

In de nota van toelichting bij onderhavig ontwerpbesluit is invulling gegeven aan de motie van het lid Van ’t Wout c.s. (Kamerstuk 34 596, nr. 13) door uitgebreid in te gaan op de gevolgen van de aanpassingen in de kwaliteitseisen in de lagere regelgeving voor de kosten van organisaties. De weerslag van deze analyse is opgenomen in hoofdstuk 3 van de nota van toelichting. Over de verwachte financiële consequenties voor ouders heb ik uw Kamer reeds eerder per brief (Kamerstuk 31 322, nr. 303) geïnformeerd. In de nog voor te bereiden wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag in verband met de te nemen maatregelen voor het jaar 2018 zal ik hier uitgebreider op ingaan. Laatstgenoemd conceptbesluit zal te zijner tijd eveneens in voorhang aan beide Kamers worden voorgelegd.

De leden van de VVD-fractie vragen of ook met individuele ondernemers is gesproken over de uitwerking van nieuwe kwaliteitseisen in de lagere regelgeving.

Behalve met vertegenwoordigers van ondernemers, medewerkers en ouders spreek ik op verschillende momenten op verschillende manieren met individuele ondernemers over de nieuwe kwaliteitseisen. Dit doe ik bijvoorbeeld in het kennisnetwerk kinderopvang.

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen dagopvang en buitenschoolse opvang

De leden van de VVD-fractie vragen naar de betekenis van de wetstechnische samenloop tussen het onderhavige conceptbesluit en het conceptbesluit houdende wijziging van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen om te bewerkstelligen dat gevallen van ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling dan wel vermoedens daarvan altijd bij het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling worden gemeld. Vorenvermeld conceptbesluit van de Staatssecretaris van VWS is voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd en bevat inhoudelijke wijzigingen van de artikelen over de meldcode, waaronder de artikelen 2a, 8 en 17a van het huidige Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen. Met het onderhavige conceptbesluit wordt een nieuw Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk vastgesteld waarin – net zoals in het huidige Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen – de artikelen over de meldcode een plaats krijgen. Het onderhavige besluit bevat geen inhoudelijke wijzigingen van de meldcode. In het onderhavige conceptbesluit zal met het conceptbesluit van de Staatssecretaris van VWS rekening worden gehouden zodra vaststaat hoe dat besluit komt te luiden en wanneer het in werking treedt.

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de genoemde rekentools in het ontwerpbesluit, zoals genoemd in artikel 7, tweede lid, beschikbaar komen.

Op www.1ratio.nl is sinds 1 januari 2013 een rekentool beschikbaar waarmee voor verschillende groepscombinaties in de dagopvang en de buitenschoolse opvang inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel beroepskrachten er conform de eisen aan de beroepskracht-kindratio minimaal ingezet moeten worden. Zodra onderhavig besluit is gepubliceerd, zullen in deze rekentool tevens de nieuwe eisen aan de beroepskracht-kindratio inzichtelijk worden gemaakt. Bij groepscombinaties waarvoor de regels veranderen, zal dan naast de huidige eis ook worden aangegeven welke eis toekomstig zal gelden.

Aangezien er vanuit de sector veel behoefte bestaat aan toelichting op het voorstel voor de nieuwe eisen aan de beroepskracht-kindratio, is in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een voorlopige rekenhulp vervaardigd. Met deze voorlopige rekenhulp kunnen organisaties inzicht verkrijgen in de veranderingen die worden voorgesteld. De rekenhulp kan worden gedownload op de websites van de Brancheorganisatie Kinderopvang, de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang, BOinK en de FNV.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister hoe een houder kan aantonen dat hij voldoet aan de eis dat er een volwassene telefonisch bereikbaar moet zijn die binnen 15 minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. Tevens vragen de leden van de VVD-fractie hoe deze eis wordt berekend, op basis van welk vervoersmiddel en welke redelijkheid hierbij in acht wordt genomen.

De eis die stelt dat er een volwassene telefonisch bereikbaar moet zijn die binnen 15 minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit is reeds een bestaande eis. De eis is momenteel opgenomen in de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012. Het voorliggende conceptbesluit wijzigt deze eis niet. De eis geldt alleen in de situatie dat er slechts één beroepskracht op de locatie van het kindercentrum aanwezig is. De eis van 15 minuten is gebaseerd op de bestaande norm voor de aanrijtijd van de ambulance. Bij het beoordelen van deze eis gaat het niet expliciet om 15 minuten, maar het gaat er feitelijk om of de houder de kwaliteit, waaronder de veiligheid van de kinderen, verantwoord heeft geborgd. Zo wordt bij de beoordeling van deze eis door de toezichthouder gekeken of de achterwacht daadwerkelijk beschikbaar is en of de afspraken met de achterwacht goed geregeld zijn waardoor deze snel ter plaatse kan zijn. Door de houder hierover te bevragen zal blijken of de houder de verantwoordelijkheid heeft genomen voor het handelen bij calamiteiten of er (nog) onvoldoende over heeft nagedacht.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de gevolgen van de eisen aan de buitenruimte voor kindcentra en peuterspeelzalen en vragen welke ruimte de Minister kan bieden aan kindercentra en peuterspeelzalen om om te gaan met eventuele moeilijkheden om aan deze eisen te voldoen.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of er reeds een overleg heeft plaatsgevonden over het verduidelijken van de eisen omtrent de buitenruimte, zo nee wat de planning van dit overleg is en zo ja, wat de uitkomsten zijn.

Ik heb de signalen over knelpunten met de eisen aan de buitenspeelruimte met alle sectorpartijen besproken. Tevens heb ik met de partijen besproken hoe de eisen aan de buitenspeelruimte in het voorliggende conceptbesluit verduidelijkt kunnen worden. Hieronder deel ik mijn analyse en de wijze waarop ik hiermee om wil gaan.

In zowel de internetconsultatie van het voorliggende conceptbesluit als in de aandachtspuntenbrief rondom de harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Kamerstuk 34 596, nr. 8) zijn zorgen geuit rondom de duidelijkheid en eenduidigheid van de eisen aan de buitenspeelruimte voor situaties waarin wordt samengewerkt met andere instanties gericht op de ontwikkeling van kinderen. De geuite zorgen komen voort uit het volgende. In het conceptbesluit zoals dat bij uw Kamer is voorgehangen, is opgenomen dat een kindercentrum of een peuterspeelzaal moet beschikken over ten minste 3m2vaste buitenspeelruimte per aanwezig kind. Voor kindercentra geldt deze eis op grond van de huidige regelgeving ook al. Er wordt in de voorgestelde eis niet expliciet gemaakt of een buitenspeelruimte gedurende de gehele opvangtijd beschikbaar en exclusief toegankelijk moet zijn voor de kinderen van het kindercentrum of de peuterspeelzaal. Dit zorgt voor onduidelijkheid voor situaties waarin een buitenspeelruimte gedeeld wordt vanuit een samenwerkingsverband tussen een kindercentrum of een peuterspeelzaal en een andere instantie gericht op de ontwikkeling van kinderen. Een veelvoorkomend voorbeeld hiervan betreft een peuterspeelzaal en een school die beide gebruik maken van het schoolplein.

Vanuit het belang van samenwerking tussen voorzieningen voor de ontwikkeling van het kind vind ik het wenselijk dat er de mogelijkheid is om de buitenspeelruimte te delen. Daarom wil ik de eisen aan de buitenspeelruimte, zoals deze nu worden voorgesteld in het conceptbesluit dat voorligt bij uw Kamer, verhelderen. Om te borgen dat de belangen van het kind bij gedeeld gebruik van de buitenspeelruimte altijd centraal staan, zal ik bezien welke randvoorwaarden hiervoor moeten gelden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de aangepaste eisen voor peuterspeelzalen aan de binnen- en buitenruimte effecten zullen hebben op de capaciteiten van deze peuterspeelzalen.

In de huidige eisen (artikel 10 van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012) is vastgelegd dat een kindercentrum moet beschikken over 3m2 buitenspeelruimte per aanwezig kind. Voor kindercentra geldt deze eis dus momenteel al. Voor peuterspeelzalen gaat deze eis gelden als gevolg van de beoogde gelijkschakeling tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Er zijn momenteel geen signalen bekend dat de eisen die gesteld worden aan de binnen- en buitenspeelruimte effecten hebben op de capaciteiten van peuterspeelzalen.

Nota van Toelichting

Hoofdstuk 2. Hoofdlijnen van het besluit

De leden van de VVD-fractie vragen of er extra administratieve lasten gemoeid zijn met de eis om in het pedagogisch beleidsplan aan te geven op welke tijden afgeweken kan worden van de beroepskracht-kindratio.

Het doel van deze verplichting is de transparantie voor ouders te vergroten, zodat voor ouders op voorhand duidelijk is wanneer gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheid om af te wijken van de beroepskracht-kindratio en wanneer in ieder geval niet wordt afgeweken van de beroepskracht-kindratio. Samen met andere maatregelen die betrekking hebben op de inroostering van beroepskrachten, is hiermee een beperkte toename van de administratieve lasten gemoeid. Nadere informatie over administratieve lasten wordt gegeven in antwoord op de generieke vraag van de leden van de VVD-fractie over de administratieve lasten van het ontwerpbesluit.

Hoofdstuk 3. Gevolgen

De leden van de VVD-fractie verzoeken de Minister om via één overzicht inzicht te bieden in de financiële consequenties van het voorliggende ontwerpbesluit voor de kinderopvang, buitenschoolse opvang en het peuterspeelzaalwerk.

De gevolgen van het voorliggende ontwerpbesluit voor de kosten in de dagopvang en buitenschoolse opvang worden in tabel 1 schematisch weergegeven.

Het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303) omvat meer maatregelen dan opgenomen in dit ontwerpbesluit. Het betreft de kosten samenhangend met de voorgenomen aanpassingen in de opleidingseisen die gesteld worden aan beroepskrachten in de kinderopvang (nader uit te werken in een ministeriële regeling). Om een volledig beeld te schetsen worden in tabel 1 tevens de kosten samenhangend met de ministeriële regeling weergegeven. Tot slot worden ook de financiële gevolgen van de gelijkschakeling van de beroepskracht-kindratio voor tweejarigen meegenomen in het financiële beeld. Per 1 januari 2015 is voor horizontale groepen met tweejarigen1 een ratio van 1 beroepskracht op 8 kinderen gaan gelden.2 Dit vormde een versoepeling ten opzichte van de voorheen geldende ratio van 1 beroepskracht op 6 kinderen. In de brief van 17 juni 20143 is aangegeven dat de financiële ruimte die hiermee gecreëerd werd, zal worden meegenomen in de inzet op een kwaliteitsverhoging.

Tabel 1. Gevolgen voor kosten dagopvang en buitenschoolse opvang (x € mln.)
2018
Dagopvang
Beroepskracht-kindratio 0-jarigen van 1 op 4 naar 1 op 3 83
Pedagogisch beleidsmedewerkers 21
Volgen ontwikkeling kinderen en doorlopende ontwikkellijn 9
Beroepskracht-kindratio 2-jarigen van 1 op 6 naar 1 op 8 (2015 doorgevoerd) – 44
Overige: opleidingseisen (ministeriële regeling) 10
Buitenschoolse opvang
Beroepskracht-kindratio vanaf 7 jaar van 1 op 10 naar 1 op 12 – 57
Pedagogisch beleidsmedewerkers 10
Overige: vrijwilligers en opleidingseisen (ministeriële regeling) 11

De verwachting is dat het totaal aan maatregelen zal leiden tot hogere kosten en daarmee een hogere uurprijs in de dagopvang en lagere kosten en een lagere uurprijs in de buitenschoolse opvang. De wijzigingen in de kosten voor de dagopvang en buitenschoolse opvang worden vertaald in een evenredige aanpassing van de maximum uurprijzen voor de dagopvang (+ € 0,32) en de buitenschoolse opvang (– € 0,26). Uitgangspunt is dat de sector in staat wordt gesteld om de aanpassingen in de eisen vanuit de eigen bekostiging te financieren. De aanpassingen in de uurprijzen volgend uit het onderhavige conceptbesluit worden, tezamen met de reguliere indexering, verwerkt in de wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018. Dit is overeengekomen met de partijen uit de kinderopvangsector bij het sluiten van het Akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303).

De financiële consequenties voor het peuterspeelzaalwerk zijn meegenomen in de berekening van de extra uitgaven kinderopvangtoeslag als gevolg van de harmonisatie (wetsvoorstel harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Kamerstuk 34 596)). Daarbij is een zelfde mutatie van de kostprijs voorzien als bij de dagopvang. Dit laat onverlet dat de uitgangspositie van peuterspeelzalen kan verschillen van die van de dagopvang. De exacte uitgangspositie is afhankelijk van het huidige gemeentebeleid ten aanzien van het peuterspeelzaalwerk.

De leden van de VVD-fractie vragen om de gevolgen voor de administratieve lasten voor kinderopvang, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen in een overzicht weer te geven.

De maatregelen uit het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303) (die hun beslag krijgen in onderhavige algemene maatregel van bestuur en een ministeriële regeling) hebben geen regeldrukeffecten voor burgers. Voor de organisaties leiden de maatregelen tot hogere kosten en tot een evenredige aanpassing van de maximum uurprijzen. Met de verhoging van de maximum uurprijzen worden organisaties in staat gesteld de kosten als gevolg van de maatregelen zelf te dragen, zoals hierboven bij de beantwoording van de vraag van de leden van de VVD-fractie over de financiële consequenties aangegeven.

Naast bovenstaande toename in de kosten betekent de verwerking van de maatregelen uit het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang in wet- en regelgeving dat organisaties kennis moeten nemen van deze wijzigingen en dat zij hun pedagogisch beleidsplannen dienen aan te passen en de inroostering van beroepskrachten dienen te wijzigen. De diverse aspecten van het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang leiden tot zowel toename als afname van de regeldruk. In totaal leidt het pakket per saldo tot een toename van de structurele regeldruk met € 0,5 mln. per jaar.

Een aantal van deze regeldrukeffecten zal pas als gevolg van een ministeriële regeling optreden, maar wordt in deze passage meegenomen, omdat het onderdeel uitmaakt van het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang. Bij onderstaande regeldrukeffecten geldt dat er variatie is in het aantal uren dat per kindercentrum of peuterspeelzaal voor de desbetreffende activiteit nodig is. Bij de berekening is daarom telkens uitgegaan van een gemiddeld aantal uren.

Organisaties moeten eenmalig kosten maken om kennis te nemen van de wijzigingen in de regelgeving. Daarnaast leidt de uitwerking van de pedagogische doelen in dit conceptbesluit eenmalig tot aanpassing van pedagogische plannen. Hier geldt dat de uren die noodzakelijk zijn voor de aanpassing van de plannen afhankelijk zijn van de wijze waarop het plan is vormgegeven. In totaal leidt dit naar schatting tot € 0,3 mln. incidentele regeldruk.

Er zijn structurele regeldrukeffecten als gevolg van a) het wijzigen van de plicht tot het doen van risico-inventarisaties in het hebben van een veiligheids- en gezondheidsbeleid; b) het introduceren van de plicht tot het hebben van een opleidingsplan en een mentor, en c) wijzigingen die gevolgen hebben voor de inroostering van beroepskrachten. Opgeteld leidt dit structureel tot een verhoging van de regeldruk met ca. € 0,5 mln. per jaar. Hieronder wordt dit kort toegelicht.

Het schrappen van de verplichting om jaarlijks een risico-inventarisatie te doen en de nieuwe eis om het veiligheids- en gezondheidsbeleid op te stellen en actueel te houden leidt tot een besparing op de regeldruk. Hierbij is ervan uitgegaan dat voor het veiligheids- en gezondheidsbeleid gemiddeld eens per drie jaar de inspanning noodzakelijk is die momenteel jaarlijks wordt geleverd. Dit is een gemiddelde. Er zullen locaties zijn waar een kleinere besparing gerealiseerd wordt en locaties waar een grotere besparing gerealiseerd wordt. Bovendien leidt deze aanpassing naar verwachting tot een daling van de door organisaties ervaren regeldruk. Geraamd is dat de wijzigingen op het gebied van risico-inventarisatie en veiligheids- en gezondheidsbeleid leiden tot een besparing in de regeldruk van ca. € 13,3 mln. per jaar.

In het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang is opgenomen dat alle houders een opleidingsplan dienen te hebben. Geraamd wordt dat hierdoor de regeldruk met € 1,7 mln. per jaar zal stijgen.

Met onderhavig conceptbesluit wordt de mentor geïntroduceerd: een vast aanspreekpunt voor ouders om de ontwikkeling van het kind te bespreken. Organisaties moeten een mentor aanwijzen en aan ouders en kind laten weten wie de mentor van het kind is. De verplichting tot het hebben van een mentor leidt tot een toename van de regeldruk van naar schatting € 11,6 mln. per jaar.

Een aantal kwaliteitseisen met een effect op de inroostering van beroepskrachten wordt gewijzigd. Zo wordt de huidige drie-uursregeling aangepast, waardoor het afwijken van de beroepskracht-kindratio op voorhand voor ouders duidelijker is. De vaste gezichteneis voor baby’s wordt strenger (van 3 naar 2) en de beroepskracht-kindratio voor de buitenschoolse opvang en voor groepen met baby’s wordt gewijzigd. Ook de eis dat er altijd een volwassene aanwezig is met een geldig kinder EHBO-certificaat en de verandering dat vrijwilligers niet meer formatief mogen worden ingezet hebben hun effect op de inroostering van beroepskrachten. Deze maatregelen maken dat organisaties de inroostering van de beroepskrachten moeten wijzigen. Dit leidt tot een toename in de regeldruk ter grootte van ca. € 0,5 mln. per jaar.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de € 1,8 miljoen zich verhoudt tot het totaal aan kosten voor het toezicht.

De € 1,8 miljoen is vanaf 2018 benodigd om toezicht te houden op de nieuwe eisen.

De huidige bijdrage aan het gemeentefonds voor toezicht en handhaving in de dagopvang, de buitenschoolse opvang, het peuterspeelzaalwerk en de gastouderopvang is € 29,6 mln. Dat is een bijdrage van de rijksoverheid aan gemeenten om de kosten van gemeenten en GGD’en voor het toezicht op en de handhaving van de wettelijke eisen die gelden voor de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk te financieren.

Hoofdstuk 5. Resultaten internetconsultatie

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister om nader in te gaan op de zorg dat babyopvang zal verdwijnen omdat ondernemers zich vanwege de kosten van babyopvang voornamelijk zullen gaan richten op de peuters. Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie hoe kan worden voorkomen dat het aanbod van babyopvang zal afnemen en de kosten voor ouders zullen stijgen. De leden van de VVD-fractie refereren aan de toezegging dat er onderzoek zal worden gedaan naar de kostprijs van de kinderopvang en vragen wanneer dit onderzoek zal plaatsvinden.

De aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor nuljarigen van 1 beroepskracht op 4 kinderen naar 1 beroepskracht op 3 kinderen leidt naar verwachting tot hogere kosten en daarmee een hogere uurprijs in de dagopvang. Met een evenredige aanpassing van de maximum uurprijs voor de dagopvang (via een wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag) wordt de sector in staat gesteld om de aanpassingen in de eisen vanuit de eigen bekostiging te financieren en wordt de financiële toegankelijkheid voor ouders geborgd.

Deze aanscherping is onderdeel van het breed gedragen akkoord dat met partijen is afgesloten. De verwachting is dan ook niet dat de aanscherping van de eisen voor de babyopvang er toe zal leiden dat het aanbod van babyopvang afneemt. Om arbeid en zorg te kunnen combineren, brengen ouders hun kind al vanaf jonge leeftijd naar de kinderopvang. Nadat een kind gewend is aan een kinderopvangorganisatie, stappen ouders niet meer zo snel over. Daarom is het vanuit ondernemersperspectief slim om babyopvang aan te bieden. Dit principe verandert naar verwachting niet vanuit de voorgestelde aanscherping van de kwaliteitseisen voor baby’s.

Los van de kwaliteitsverhoging op zich wordt erkend dat de eenvormige vergoeding voor de opvang van nul- tot vierjarigen op termijn mogelijk druk op ondernemers kan uitoefenen. Hiervan kan overigens ook al sprake zijn in het huidige systeem. Ook nu is de opvang van baby’s door de strengere eisen aan de inzet van beroepskrachten al duurder dan de opvang van peuters. Voor baby’s geldt nu een beroepskracht-kindratio van 1 beroepskracht op 4 kinderen terwijl voor peuters een beroepskracht-kindratio van 1 beroepskracht op 8 kinderen geldt. Om goed te taxeren wat de gevolgen zijn van de eenvormige financieringssystematiek voor opvang die qua kosten per leeftijdscategorie verschilt, is afgesproken in beeld te brengen wat de kostprijs voor de opvang van kinderen van verschillende leeftijden is.

Daarom is met de betrokken sectorpartijen afgesproken om nader te onderzoeken hoe de kosten voor de verschillende leeftijdscategorieën nu zijn opgebouwd. Momenteel wordt bepaald hoe dit onderzoek het beste vorm kan krijgen. Naar verwachting zal het onderzoek deze zomer starten. Streven is om het onderzoek in 2017 af te ronden.

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel extra fte in de dagopvang kunnen worden opgevuld met boventallige beroepskrachten vanuit de buitenschoolse opvang. Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of deze boventallige beroepskrachten ook voldoen aan de kwalificatie-eisen voor de dagopvang. Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of voldoende aanbod van geschoold hbo-personeel en extra mbo-gekwalificeerd personeel zal zijn om aan de eisen die per 1 januari 2018 ingaan te voldoen.

De versoepeling van de beroepskracht-kindratio voor kinderen vanaf zeven jaar van 1 beroepskracht op 10 kinderen naar 1 beroepskracht op 12 kinderen verkleint het aantal benodigde beroepskrachten in de buitenschoolse opvang met ongeveer 1.400 fte. De aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor nuljarigen van 1 beroepskracht op 4 kinderen naar 1 beroepskracht op 3 kinderen heeft tot gevolg dat het benodigde aantal beroepskrachten in de dagopvang met ongeveer 2.000 fte stijgt. Een deel van het aantal benodigde extra fte in de dagopvang kan mogelijk worden opgevuld door boventallige beroepskrachten in de buitenschoolse opvang. Het is niet exact aan te duiden voor hoeveel gevallen dit mogelijk is. De lijsten met kwalificerende opleidingen voor de dagopvang en de buitenschoolse opvang komen deels overeen. Er zijn echter ook verschillen. Het zal afhangen van de opleiding die de beroepskracht in de buitenschoolse opvang heeft gevolgd en de kwaliteiten die de beroepskracht heeft, of hij of zij ook aan de slag kan als beroepskracht in de dagopvang. Daarnaast hebben beroepskrachten in de buitenschoolse opvang vaak een andere contractomvang en andere arbeidsuren dan beroepskrachten in de dagopvang. Ook vanuit die optiek zal een werkgever per geval moeten bekijken of een overstap naar de dagopvang mogelijk is.

Vooralsnog zijn er geen signalen dat er in 2018 een tekort aan aanbod van gekwalificeerde beroepskrachten zal ontstaan. Ook uit een recente prognose van vraag en aanbod van personeel met drie kwalificaties die het meest voor komen in de kinderopvang4, komt een genuanceerd beeld van het aanbod van gekwalificeerd personeel naar voren. De toekomstverkenning laat op de korte termijn een overschot zien aan pedagogisch personeel op niveau 3. Tegelijkertijd wordt in de prognose geconstateerd dat twee vijfde van de werkgevers vacatures heeft en dat een kwart van de werkgevers een tekort aan personeel verwacht. Volgens de onderzoekers is dit een gevolg van een aantal bredere ontwikkelingen binnen de sector kinderopvang. Zo krijgen beroepskrachten extra taken als gevolg van meer zelfsturing, de vraag om meer klantgericht te werken, en meer specialisatie. Als gevolg hiervan zoeken werkgevers in de kinderopvang bij vacatures vaker naar pedagogisch medewerkers van niveau 4 en naar hbo’ers. Daarmee ontstaat volgens de onderzoekers een kwantitatief overschot en een kwalitatief tekort aan personeel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie vragen naar hoe de Minister aankijkt tegen de balans tussen de verantwoordelijkheid van ouders enerzijds en de rol van de overheid ten aanzien van kinderopvang anderzijds.

De overheid is verantwoordelijk voor de randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige kinderopvang. Het is van belang om kinderen te ondersteunen bij hun ontwikkeling. Vanuit die verantwoordelijkheid is wet- en regelgeving opgesteld en wordt toegezien op de naleving daarvan.

De ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Mochten zij er voor kiezen hun kind naar de kinderopvang te brengen dan is het van belang dat de kinderopvang een goed pedagogisch klimaat heeft waar kinderen op een verantwoorde manier worden opgevangen in een veilige omgeving en dat aansluit bij de wensen van de ouders.

De leden van de PVV-fractie vragen wat wordt bedoeld met het belang van ruimte voor eigen pedagogische invulling van kinderopvanghouders.

In het conceptbesluit is een nadere concretisering van verschillende aspecten van verantwoorde dagopvang opgenomen. Deze concretisering is gebaseerd op de pedagogische doelen van Marianne Riksen-Walraven en beoogt de betekenis van verantwoorde dagopvang voor het dagelijks werk van houders en beroepskrachten te verduidelijken en hen daarmee houvast te bieden voor het pedagogisch handelen. Deze handvatten bieden echter voldoende ruimte voor een eigen pedagogische invulling van een kinderopvangorganisatie. De ene organisatie kan het pedagogisch beleid bijvoorbeeld inrichten volgens een antroposofische inslag en een andere organisatie bijvoorbeeld met veel aandacht voor de natuur. In beide gevallen houden de organisaties zich aan de pedagogische doelen zoals opgenomen in de regelgeving maar is er ruimte voor onderscheid en eigenheid via nadere invulling.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom de uitwerking van de eisen omtrent extra scholing van beroepskrachten zo lang duurt.

Alvorens een start kon worden gemaakt met de uitwerking van de betreffende regeling, moesten eerst het wetsvoorstel en het onderliggende besluit worden opgesteld. Aan de ministeriële regeling wordt momenteel gewerkt en streven is ook deze 1 juli te publiceren.

Het is aan cao-partijen om afspraken te maken over scholing. Over de hoofdlijnen zijn afspraken gemaakt in het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303).

Voor de opleidingseisen zal een verwijzing naar de cao worden opgenomen in een ministeriële regeling.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt gehandhaafd dat beroepskrachten beschikken over het minimum taalniveau (3F).

De eis rondom het minimum taalniveau (3F) voor beroepskrachten wordt momenteel uitgewerkt in een ministeriële regeling. Hoe deze eis gehandhaafd wordt, zal in dat kader nader uitgewerkt worden.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom er behoefte is om in pilots ervaring op te doen met alternatieve kwaliteitseisen terwijl de rest van de kindercentra wel moet voldoen.

In gesprekken met betrokken partijen uit de sector over de gewenste aanpassingen in de kwaliteitseisen is uitgebreid stilgestaan bij mogelijkheden om op onderdelen van de bestaande kwaliteitseisen meer ruimte voor maatwerk te bieden. In het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303) zijn afspraken gemaakt over het creëren van meer ruimte voor maatwerk.

Afgesproken is om een aantal kwaliteitseisen direct te wijzigen. Bij een aantal andere voorgestelde eisen waren de effecten van het werken hiermee in de praktijk moeilijk in te schatten bij het akkoord Innovatie en Kwaliteit. Het gaat hier om alternatieve eisen die meer flexibiliteit kunnen bieden bij het gebruik van speelruimte, om doelvoorschriften op het gebied van stabiliteit en om een beroepskrachtkind-ratio op centrumniveau. Daarom is ervoor gekozen het werken met alternatieve eisen op deze gebieden via pilots eerst zorgvuldig uit te proberen. In die pilots zal gekeken worden naar de effecten van het geven van meer ruimte voor maatwerk in deze eisen, alvorens besloten wordt over aanpassing van de betreffende kwaliteitseisen.

De kennis die in de pilots wordt opgedaan kan vervolgens worden gebruikt om een zorgvuldige afweging te maken over de wenselijkheid van een eventuele aanpassing van de bestaande kwaliteitseisen.

De leden van de PVV-fractie vragen op welke manier kinderopvangmedewerkers in de toekomst worden gescreend en welke veranderingen er zijn ten opzichte van de huidige situatie.

Sinds maart 2013 worden de vaste medewerkers in de kinderopvang continu gescreend op strafbare feiten die bezwaarlijk zijn bij het werken met kinderen. Er is op dit moment geen overzicht van alle kinderopvangmedewerkers. Een groot deel van de medewerkers wordt in beeld gebracht met behulp van bestaande gegevensbestanden, zoals de polisadministratie van het UWV. Van stagiairs, uitzendkrachten en vrijwilligers zijn geen gegevensbestanden. Zij vallen om die reden nu nog buiten de continue screening. Voor deze groepen geldt dat zij hun verklaring omtrent het gedrag (VOG) tweejaarlijks moeten vernieuwen.

In het eerste kwartaal van 2018 wordt het personenregister kinderopvang ingevoerd. Alle personen die in contact komen met de opgevangen kinderen of met kindgegevens zullen zich moeten inschrijven in het register waarna zij continu worden gescreend. Dit is ook van toepassing op de nu nog ontbrekende groepen (stagiairs, uitzendkrachten en vrijwilligers). Met het personenregister zal er een volledige en voortdurende screening plaatsvinden van alle personen die een bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid van de opgevangen kinderen. Dit draagt bij aan een verdere toename van de veiligheid in de kinderopvang.

De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel en welke misstanden er in de kinderopvang waren vorig jaar. Tevens willen ze weten hoeveel houders dan wel medewerkers strafrechtelijk zijn vervolgd in 2016.

Ervan uitgaande dat deze vraag betrekking heeft op het systeem van continue screening, kan ik u melden dat er in 2016 48 signalen uit de continue screening zijn verzonden. De meeste signalen hadden betrekking op de huisgenoot van de gastouder. Geen enkel signaal had betrekking op een houder.

Een signaal betekent dat er sprake is van een bijschrijving in de justitiële documentatie van de medewerker op basis waarvan de medewerker in beginsel niet meer in aanmerking komt voor een nieuwe VOG voor een functie in de kinderopvang. Een dergelijke bijschrijving gebeurt al vroeg in het strafproces, als de medewerker als verdachte wordt aangemerkt en de officier van justitie heeft besloten tot vervolging over te gaan. Het is niet bekend of het strafbare feit waarop het signaal uit de continue screening was gebaseerd, heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling. Wat wel bekend is, is dat het signaal er in bijna alle gevallen toe leidt dat de persoon niet meer in contact staat met de opgevangen kinderen. Veelal stapt de persoon zelf op of wordt de persoon ontslagen. In een enkel geval krijgt de persoon na het signaal toch een nieuwe VOG en kan de persoon zijn werkzaamheden voortzetten. Dit kan aan de orde zijn wanneer de officier van justitie heeft afgezien van verdere vervolging.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het toezicht en de handhaving eruit gaan zien en of er onaangekondigd geïnspecteerd wordt.

Om GGD’en en gemeenten voor te bereiden op veranderingen in het toezicht en de handhaving als gevolg van de maatregelen in onderhavig conceptbesluit is een projectgroep bij GGD GHOR Nederland samengesteld. Deze projectgroep past het toezichtinstrumentarium aan op de wijzigingen in het conceptbesluit (en de ministeriële regeling) en zorgt voor de communicatie hierover en de implementatie hiervan bij de GGD’en en gemeenten. Daarnaast worden de wijzigingen in de kwaliteitseisen verwerkt in de ondersteunende toezichtinstrumenten.

De meest recente landelijke rapportage van de Inspectie van het Onderwijs over toezicht en handhaving in de kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 311) bevat informatie over de mate waarin het toezicht onaangekondigd plaatsvindt. Uit deze rapportage blijkt dat in 2015 nagenoeg alle kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen (99 procent) onaangekondigd geïnspecteerd werden. De toezichthouder zal ook in de toekomst inspecties onaangekondigd uitvoeren.

De fractieleden van de PVV vragen of alle kinderopvangorganisaties voldoende tijd krijgen voor aanpassingen in de kwaliteitseisen voor 1 januari 2018.

Met alle betrokken partijen bij het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (bijlage bij Kamerstuk 31 322, nr. 303) is afgesproken dat een invoeringstermijn van een half jaar voldoende moet zijn voor ondernemers om zich goed voor te bereiden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen de Minister verder toe te lichten hoe de verschillende brancheorganisaties binnen de kinderopvang zijn meegenomen in het proces van de totstandkoming van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Kan de Minister toelichten welke punten bij de consultatie zijn aangedragen en hoe deze zijn meegenomen in het Besluit?

De verschillende brancheorganisaties zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van onderhavig conceptbesluit. Met hen is uitgebreid gesproken over de uitwerking van de akkoordafspraken. Het is niet aan mij om aan te geven welke punten de partijen bij de consultatie hebben aangedragen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de extra eisen aan ondersteuning, en meer specifiek het minimum aantal uren pedagogische beleidsvorming, zich verhouden tot meer maatwerk in regelgeving.

Ten aanzien van de eis met betrekking tot de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker is het belangrijk om een ondergrens in de wettelijke eis op te nemen. Zo wordt geborgd dat iedere pedagogisch medewerker jaarlijks gecoacht wordt door een pedagogisch beleidsmedewerker. Bij de uitwerking van deze eis is ruimte voor maatwerk gerealiseerd door de eis aan de minimaal in te zetten uren op jaarbasis te formuleren, en op het niveau van de houder. Zo kan de houder zelf de afweging maken om de pedagogisch beleidsmedewerker bijvoorbeeld tijdelijk meer in te zetten op een net geopende locatie waar extra aandacht voor de pedagogische praktijk gewenst is.