Ontwikkelingen in het gebruik van kinderopvang 2014

31 322Kinderopvang
Nr. 274BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,  Den Haag, 28 april 2015

In deze brief informeer ik u over de ontwikkelingen in het gebruik van kinderopvang, de arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen, het aantal locaties en de uurprijzen over heel 2014.

In 2014 is het totaal aantal aanvragers van kinderopvangtoeslag ongeveer constant gebleven ten opzichte van 2013, maar de samenstelling van de groep is veranderd. Gemiddeld maakten 638.000 kinderen gebruik van kinderopvangtoeslag in 2014. In 2013 waren dit 637.000 kinderen.

Ten behoeve van de kinderopvangtoeslag is in 2014 structureel € 100 miljoen extra ingezet. Een gevolg hiervan is de herintroductie van de vaste voet (het laagste toeslagpercentage) waardoor ouders met een verzamelinkomen boven de € 120.565 weer kinderopvangtoeslag ontvangen in 2014 voor circa 25.000 (eerste) kinderen.

In de samenstelling van de groep aanvragers van kinderopvangtoeslag, zijn twee ontwikkelingen zichtbaar. Bij inkomens tot 1,5 keer modaal is een forse daling te zien is in het gebruik, bij inkomens tussen 1,5 en 3 keer modaal is de ontwikkeling licht stijgend. De huishoudens uit de hoogste inkomensgroep keren weer terug in de cijfers. Verder valt op, in een analyse van het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag naar leeftijd, dat met name de instroom van 0- en 1-jarigen in de dagopvang is afgenomen.

Zonder die terugkeer van kinderen met kinderopvangtoeslag in de hoogste inkomensgroep is het gebruik gedaald in 2014. Daarvoor zijn verschillende redenen. Het gedragseffect van maatregelen in de kinderopvang is sterker dan gedacht1. De bezuinigingen uit 2012 en 2013 beïnvloeden vermoedelijk nog steeds de keuze van ouders om al dan niet gebruik te maken van kinderopvang. Ook zorgt de economische crisis er voor dat ouders (noodgedwongen) minder gebruik maken van kinderopvang. Daarnaast daalt gemiddeld gezien de groep 0-jarigen in 2014 nog iets ten opzichte van 2013. Overigens neemt het aantal geboortes vanaf 2014 weer toe na jaren van daling.

1. Gebruik kinderopvangtoeslag

In de tabel 1 is te zien dat in 2014 gemiddeld 638.000 kinderen gebruik maakten van kinderopvangtoeslag. Daarvan gaan 255.000 kinderen naar de dagopvang, 285.000 kinderen naar de bso en 98.000 kinderen naar de gastouderopvang. Gedurende het jaar is het aantal kinderen redelijk constant gebleven.

Het aantal uren kinderopvangtoeslag in 2014 is gemiddeld 60,3 uur per kind per maand. Omdat er grote verschillen bestaan in uren kinderopvangtoeslag voor kinderen in de leeftijd 0–4 jaar en kinderen in de leeftijd 4–12 jaar, geeft een uitsplitsing naar opvangsoort meer informatie. Kinderen gaan gemiddeld 86 uur per maand naar de dagopvang en 38 uur per maand naar de buitenschoolse opvang. Bij alle opvangsoorten valt op dat het aantal uren kinderopvangtoeslag daalt sinds 2012. Een belangrijke oorzaak hiervoor is dat instellingen steeds meer flexibele contracten aanbieden, zodat beter wordt aangesloten bij de wensen van ouders.2 Ouders kiezen bijvoorbeeld voor een contract van 48 weken, omdat zij geen opvang nodig hebben in de weken dat ze vakantie hebben.

Tabel 1. Gebruik kinderopvangtoeslag (gemiddelden)1
2012 2013 1ekwartaal

2014

2ekwartaal

2014

3ekwartaal

2014

4ekwartaal

2014

geheel

2014

Aantal kinderen (x 1000)
Totaal 698 637 638 642 635 638 638
Dagopvang 296 261 259 257 252 252 255
Buitenschoolse opvang 301 279 283 286 284 288 285
Gastouderopvang 0–4 jarigen 51 49 49 50 50 50 50
Gastouderopvang 4–12 jarigen 50 48 48 49 48 48 48
Uren per kind per maand
Totaal 67,8 63,1 61,2 60,5 59,8 59,7 60,3
Dagopvang 96,1 89,1 87,1 86,2 85,3 85,3 86,0
Buitenschoolse opvang 42,1 39,8 38,3 38,1 37,9 38,0 38,1
Gastouderopvang 0–4 jarigen 75,3 73,6 71,8 71,3 70,7 70,9 71,2
Gastouderopvang 4–12 jarigen 47,9 46,9 45,1 44,9 44,5 44,0 44,6

Bron: Belastingdienst, peildatum december 2014, bewerking SZW

Tabel 2 laat de ontwikkeling in het gebruik van kinderopvangtoeslag zien naar verzamelinkomen. Bij de hoogste inkomensgroep is een enorme stijging te zien in het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag. In 2014 is de vaste voet weer ingevoerd, waardoor de hoogste inkomens voor het eerste kind weer kinderopvangtoeslag ontvangen. Deze kinderen zijn in 2013 uit de cijfers van de Belastingdienst/Toeslagen verdwenen en in 2014 weer teruggekeerd.

Bij huishoudens met een inkomen tot 1,5 keer modaal is aantal kinderen met kinderopvangtoeslag gedaald met circa 15%. Tussen 1,5 keer modaal en twee keer modaal is een omslagpunt en bij huishoudens tussen twee keer modaal en drie keer modaal zien we een stijging van het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag ten opzichte van 2013. Mogelijk speelt hier de intensivering in de kinderopvangtoeslag een rol, aangezien de toeslagtabel is verhoogd voor inkomens vanaf 1,5 keer modaal.

Tabel 2. Aantal kinderen met KOT en uren/ kind naar verzamelinkomen (relatieve mutatie gemiddeld 2014 t.o.v. 2013)
Verzamelinkomen Mutatie aantal kinderen Mutatie uren per kind Totale mutatie
Negatief – tot 130% WML – 16% – 3% – 19%
130% WML – modaal – 17% – 5% – 22%
Modaal – 1,5 x modaal – 12% – 8% – 19%
1,5 x modaal – 2 x modaal 0% – 7% – 7%
2 x modaal – 3 x modaal 6% – 5% 1%
3 x modaal en hoger 42% 8% 54%
Totaal 0,1% – 4,5% – 4,3%

Bron: Belastingdienst, peildatum december 2014, bewerking SZW

Zonder de toename van het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag in de hoogste inkomensgroep is het gebruik gedaald in 2014. Voor die daling zijn verschillende redenen. Het gedragseffect van de bezuinigingen is vermoedelijk groter dan gedacht. Het CPB laat op basis van nieuwe inzichten zien dat ouders sterker reageren op veranderingen in de prijs van kinderopvang dan eerder gedacht.3 De bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag in 2012 en 2013 werken ook in 2014 vermoedelijk nog door op keuzes die ouders maken.

Er zijn ouders door de crisis werkloos geraakt of noodgedwongen minder uren gaan werken die daardoor minder kinderopvang zijn gaan afnemen, zoals het rapport van het SCP «Krimp in de kinderopvang» laat zien4. Dit rapport onderzocht om welke redenen ouders in 2012 afzagen van formele kinderopvang. Volgens dit rapport spelen de kosten van kinderopvang een belangrijkere rol als ouders in onzekerheid zitten over inkomensachteruitgang. Werkloosheid, inkomensachteruitgang en gedaalde koopkracht lijken net zo belangrijk als de gestegen kosten van kinderopvang in de beoordeling van ouders. De crisis lijkt daarmee een grote rol te spelen in de keuzes over kinderopvang die ouders hebben gemaakt.

Tot slot is er het effect van demografie. Vanaf 2011 zijn er beduidend minder kinderen geboren, wat ook het gebruik van kinderopvang beïnvloedt. De dalende trend van het aantal geboortes is echter gedurende 2014 weer omgeslagen in groei. De verwachting van het CBS is dat deze groei in aantal geboortes de komende jaren doorzet.

Gebruik kinderopvangtoeslag naar leeftijd van het kind

Tabel 3 laat zien hoe de ontwikkeling van het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag is geweest per leeftijd.5 Dit geeft een beeld van de instroom en uitstroom. Het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag laat de ontwikkeling zien per leeftijdsjaar. Door middel van het deelnamepercentage (aandeel kinderen met kinderopvangtoeslag van het totaal kinderen in die leeftijd) wordt rekening gehouden met de invloed van demografie. Als bijvoorbeeld minder kinderen worden geboren, werkt dit door in zowel het totaal aantal kinderen in die leeftijd als het aantal kinderen in die leeftijd met kinderopvangtoeslag.

Tabel 3. Kinderen met kinderopvangtoeslag per leeftijd als aantal en als percentage van de totale leeftijdsgroep
Aantal Deelname-

percentage

Aantal Deelname-

percentage

Relatieve mutatie in deelname
Leeftijd jan 2012 jan 2012 dec 2014 dec 2014
0 56.217 31,3 41.129 23,6 – 25%
1 92.186 49,9 73.456 42,8 – 14%
2 97.659 52,6 86.320 48,8 – 7%
3 95.712 51,5 92.540 51,0 – 1%
4 65.095 35,6 60.781 32,9 – 8%
5 61.128 32,9 56.117 30,2 – 8%
6 56.939 30,3 53.626 28,9 – 5%
7 52.618 27,2 48.846 26,7 – 2%
8 46.101 23,0 43.192 23,2 1%
9 36.302 18,0 35.818 18,9 5%
10 25.129 12,4 26.247 13,5 9%
11 13.661 6,6 13.946 6,9 5%
12 jaar en ouder 3.837 1,9 3.150 1,6 – 16%

Bron: Belastingdienst, bewerking SZW

Wat opvalt, is dat de grootste daling van het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden bij 0- en 1-jarigen. Dit is mede een gevolg van de daling in het aantal geboorten de afgelopen jaren. Ook als hiervoor wordt gecorrigeerd (in deelnamepercentage) is de daling in de instroom zichtbaar. De deelname van het aantal 0-jarigen met kinderopvangtoeslag gedaald van 31,3% naar 23,6% in de periode januari 2012 – december 2014. Voor kinderen van 1 jaar is de deelname gedaald van 49,9% naar 42,8%. Sinds januari 2012 zijn dus minder kinderen in de jongste leeftijdsgroep ingestroomd in de dagopvang.

Bij 3-jarigen is de daling in het aantal kinderen opvallend lager. Een verklaring hiervoor kan de ontwikkeling zijn dat steeds meer peuterspeelzalen worden omgevormd naar kinderopvanginstellingen. Voor de buitenschoolse opvang is de daling minder groot dan in de dagopvang. Hoewel ook daar de instroom, het aantal 4- en 5-jarigen, is afgenomen.

De conclusie hieruit is dat de instroom in de dagopvang, het aantal 0- en 1-jarigen, het sterkst is afgenomen. Overigens is bij vrijwel alle leeftijden het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag gedaald. De deelnamepercentages, waarbij rekening is gehouden met demografie, laten voor 8-jarigen en ouder wel een lichte toename zien.

2. Netto arbeidsparticipatie ouders met jonge kinderen

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling in netto arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen weergegeven. De cijfers in deze rapportage verschillen iets van de eerder gepubliceerde cijfers. Dat komt door een revisie van de statistieken over de beroepsbevolking door het CBS6.

Over het algemeen is de netto arbeidsparticipatie van vrouwen en moeders met jonge kinderen redelijk constant gebleven. Bij alleenstaande moeders is wel een aanzienlijke daling in arbeidsparticipatie te zien. Voor moeders met jonge kinderen (0–11 jaar) is de netto arbeidsparticipatie op 69,9% gebleven.

Tabel 4. Netto arbeidsparticipatie vrouwen en moeders met jonge kinderen (in %)
2009 2010 2011 2012 2013 2014
Vrouwen 15–64 58,2 59,2 59,3 59,7 58,6 58,5
Vrouwen 25–34 77,8 79,3 77,4 77,0 75,5 75,1
Vrouwen 35–44 74,0 74,3 73,3 73,9 73,1 72,7
Moeders (lid van ouderpaar) 69,2 69,9 70,6 71,1 69,8 70,4
Alleenstaande moeders 61,6 63,8 62,7 61,3 60,1 56,2
Moeders met jonge kinderen (0–11) 70,2 71,0 71,3 71,7 69,9 69,9

Bron: CBS

Na een daling in arbeidsparticipatie de afgelopen jaren, is de arbeidsparticipatie van mannen over de hele linie licht gestegen ten opzichte van vorig jaar. Bij vaders met jonge kinderen is de arbeidsparticipatie 92,7% in 2014 ten opzichte van 91,0% vorig jaar.

Tabel 5. Netto arbeidsparticipatie mannen en vaders met jonge kinderen (in %)
2009 2010 2011 2012 2013 2014
Mannen 15–64 74,4 74,1 74,1 72,7 71,7 72,2
Mannen 25–34 88,9 88,8 87,4 85,1 82,1 84,2
Mannen 35–44 92,3 92,0 90,9 89,5 87,1 88,2
Vaders (lid van ouderpaar) 91,9 92,1 92,1 91,2 89,7 91,2
Alleenstaande vaders 79,8 81,0 78,9 79,7 75,5 78,7
Vaders met jonge kinderen (0–11) 94,0 93,8 93,9 93,2 91,0 92,7

Bron: CBS

Het aantal gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen laat opnieuw een lichte stijging zien. In 2014 werken vrouwen tussen de 15–64 jaar gemiddeld 28,8 uur en moeders met een kind in de leeftijd 0–11 jaar werken gemiddeld 26,9 uur.

Tabel 6. Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 12 uur)
2009 2010 2011 2012 2013 2014
Vrouwen 15–64 28,5 28,4 28,5 28,5 28,6 28,8
Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar) 25,5 25,4 25,8 26,2 26,6 26,9

Bron: CBS

3. Ontwikkeling gemiddelde uurprijs

De tabel hieronder illustreert het verschil tussen de gemiddelde uurprijzen van de verschillende opvangsoorten en de maximaal te vergoeden uurprijzen (hierna: maximum uurprijzen). Voor de dagopvang ligt de gemiddelde uurprijs en de maximum uurprijs heel dicht op elkaar (0,1% verschil). Bij de buitenschoolse opvang is het verschil tussen gemiddelde uurprijs en maximum uurprijs het grootst.

Tabel 8: ontwikkeling gemiddelde uurprijs1 (in €)
2009 2010 2011 2012 2013 2014
Gemiddelde uurprijzen voor maximering
Dagopvang 5,97 6,16 6,32 6,45 6,57 6,71
Buitenschoolse opvang 5,95 6,10 6,17 6,40 6,53 6,66
0- t/m 3-jarigen gastouderopvang 5,86 5,49 5,34 5,43 5,47 5,55
4- tot 12-jarigen gastouderopvang 5,98 5,53 5,32 5,40 5,44 5,54
Maximum uurprijzen
Dagopvang 6,10 6,25 6,36 6,36 6,46 6,70
Buitenschoolse opvang 6,10 5,82 5,93 5,93 6,02 6,25
0- t/m 3-jarigen gastouderopvang 6,10 5,00 5,09 5,09 5,17 5,37
4- tot 12-jarigen gastouderopvang 6,10 5,00 5,09 5,09 5,17 5,37
Relatief verschil gemiddelde t.o.v. maximum uurprijzen
Dagopvang – 2,2% – 1,5% – 0,6% 1,4% 1,7% 0,1%
Buitenschoolse opvang – 2,5% 4,6% 4,0% 7,9% 8,5% 6,6%
0- t/m 3-jarigen gastouderopvang – 3,9% 9,8% 4,9% 6,7% 5,8% 3,4%
4- tot 12-jarigen gastouderopvang – 2,0% 10,6% 4,5% 6,1% 5,2% 3,2%

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking SZW

Voor 2015 zijn de maximum uurprijzen geïndexeerd. De nieuwe maximum uurprijzen zijn € 6,84 voor de dagopvang, € 6,38 voor de bso en € 5,48 voor de gastouderopvang.

4. Aanbod kinderopvang

Het aantal locaties in de dagopvang vertoont een stijgende lijn. Vanaf januari 2012 is het aantal dagopvanglocaties met bijna 600 locaties gegroeid. In 2014 zijn er netto 250 locaties bijgekomen. Deze groei komt deels doordat peuterspeelzalen worden omgevormd naar kinderdagverblijven. In de buitenschoolse opvang is daarentegen het aantal locaties gedaald sinds 2012, maar het afgelopen half jaar redelijk gestabiliseerd. Het aantal gastouderlocaties laat een aanzienlijke daling zien.

Tabel 7: aantal kinderopvang- en gastouderlocaties
jan 2012 jan 2013 jan 2014 apr 2014 juli 2014 okt 2014 jan2015
Dagopvang 5.862 6.220 6.187 6.272 6.320 6.377 6.446
BSO 6.735 6.682 6.417 6.380 6.331 6.361 6.336
Gastouders 48.887 46.578 40.148 39.169 38.215 37.215 36.807

Bron: DUO rapportage Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,L.F. Asscher

Bron : Rijksoverheid