Antwoord en verslag van rondetafelgesprek kinderopvang

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 31 322, nr. 219

Vastgesteld 10 september 2013

Naar aanleiding van een door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer georganiseerde rondetafelgesprek over de toekomst van de kinderopvang op 3 juni 2013, hebben enkele fracties binnen de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid de behoefte om de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enkele vragen en opmerkingen voor te leggen.

De vragen en opmerkingen zijn op 18 juli 2013 aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 9 september 2013 zijn deze vragen beantwoord.

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben nog een aantal vragen en opmerkingen naar aanleiding van het rondetafelgesprek Toekomst Kinderopvang gehouden op 3 juni 2013.

Kwaliteit

De leden van de VVD-fractie constateren dat tijdens het rondetafelgesprek de sector een eenduidig geluid liet horen ten aanzien van de regeldruk binnen de kinderopvang. De leden van de VVD-fractie hechten aan een veilige omgeving voor de opgevangen kinderen, maar zijn tegenstander van onnodige regelgeving. Heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) inzicht in overbodige regels? Zo nee, is de minister van plan om hier onderzoek naar te doen? Gaat de minister maatregelen nemen om de regeldruk in de sector terug te brengen? Zo ja, welke maatregelen is de minister van plan te nemen? Zo nee, waarom niet?

Vanuit de sector is veel kritiek op de zogenaamde «afvinklijst». Deze lijst is voort gekomen uit overleg tussen partijen in het veld. Kan de minister aan de leden van de VVD-fractie uitleggen wat de verantwoordelijkheid is tussen de partijen in het veld en de overheid, zowel bij de totstandkoming van de lijst als bij de uitvoering. Is de minister voornemens deze partijen te bewegen het aantal onderwerpen op deze lijst terug te brengen? Zo ja, hoe en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Zowel binnen de sector als door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden verschillende termen gehanteerd als het gaat om kwaliteit: inhoudelijke, algemene, pedagogische en basiskwaliteit. Kan de regering het verschil tussen deze vormen duiden? Over welke vorm van kwaliteit heeft de minister het als de minister spreekt over het verhogen van de kwaliteit in de kinderopvang? Wat verstaat de minister onder kwaliteit? Hoe wordt de kwaliteit gemeten?

Uit beantwoording van eerdere vragen blijkt dat sinds 2008 ruim 58 miljoen EUR is geïnvesteerd in kwaliteit in de kinderopvang (Kamerstuk 33 605 XV, nr.7). Uit het rondetafelgesprek bleek dat de basiskwaliteit van de kinderopvang in Nederland in orde is, echter dat het met andere vormen van kwaliteit somber is gesteld. Wat is hier, gezien deze enorme financiële impuls, de verklaring voor, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Tijdens het rondetafelgesprek is gesproken over de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Uit onderzoek van de Radboud universiteit is gebleken dat de kwaliteit van de VVE nog veel te wensen overlaat en dat dit grotendeels wordt veroorzaakt door het feit dat het beleid van gemeenten ten aanzien van VVE onderling sterk varieert. Zo blijkt onder andere dat verschillende criteria worden gehanteerd die een kind tot een «doelgroepkind» maken en gemeenten verschillende VVE-programma’s gebruiken. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Is de regering voornemens om in overleg te treden met gemeenten om meer uniformiteit in het VVE-beleid aan te brengen? Zo ja, wat is de inzet? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze kunnen de uitgaven aan VVE effectiever worden ingezet om een groter rendement te bereiken?

Financiering

Op welke wijze wordt de maximale uurprijs door het ministerie van SZW bepaald?

Controle en handhaving

Ondernemers binnen de kinderopvang geven aan dat zij binnen verschillende regio’s te maken hebben met verschillende wijzen van controle op de kwaliteit door de regionale GGDen. Wat vindt de minister van deze ontwikkeling? Kan de minister aangeven of hij het wenselijk vindt dat een aanbieder van kinderopvang met meerdere vestigingen geconfronteerd wordt met verschillende wijze van controle? Deelt de minister de mening dat een harmonisering van de controle beter is voor zowel de kwaliteit als de duidelijkheid voor de werkgevers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn er plannen om dit te bewerkstelligen?

Uit het rondetafelgesprek kwam naar voren dat in de gemeenten waar controle en toezicht samen belegd zijn, controle en toezicht op de kinderopvang beter verloopt. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Is de minister bereid gemeenten te bewegen controle en handhaving samen te beleggen?

Overig

Voor wat betreft de veiligheid moeten kinderdagverblijven en buitenschoolse opvangorganisaties aan allerlei veiligheidsvoorwaarden voldoen waaronder het 4-ogenprincipe. De gastouderopvang hoeft hier niet aan te voldoen. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Wat is in zijn algemeenheid de visie van de regering ten aanzien van de veiligheid binnen de gastouderopvang?

Is de regering ten aanzien van gastouderopvang – mede gezien de kritische geluiden tijdens het rondetafelgesprek – van plan met voorstellen te komen?

Kinderopvangorganisaties die pedagogisch medewerkers in dienst hebben met een universitaire achtergrond krijgen na controle door de GGD een boete, omdat zij niet in de CAO zijn opgenomen. Wat zijn de gevolgen van de nieuwe CAO voor de medewerkers?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de visies over de kinderopvang die tijdens her rondetafelgesprek naar voren zijn gebracht door de uitgenodigde ouders, werkgevers, werknemers, lokale bestuurders, toezichthouders, wetenschappers en belangengroepen. Deze leden zijn verheugd dat de grote lijnen uit het regeerakkoord – namelijk het op elkaar afstemmen van de verschillende vormen van kinderopvang, het harmoniseren van de financiering, het realiseren van doorlopende leerlijnen en meer aandacht voor pedagogische kwaliteit – breed door de sector onderschreven worden. Zij hopen dan ook dat de minister op korte termijn zal komen met wetgeving om deze zaken in de praktijk te brengen.

De leden van de PvdA stellen tevens vast dat er bij het rondetafelgesprek veel zorgen geuit zijn over de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang. De aan het woord zijnde leden pleiten daarom voor een voortvarende uitvoering van de motie Hamer/Van Nieuwenhuizen (Kamerstuk 33 400 XV, nr. 67) zodat er een structurele oplossing komt voor de kinderopvang waarbij de kwaliteit en de financiële toegankelijkheid gewaarborgd zijn en er een einde gemaakt wordt aan het inconsistente overheidsbeleid waar de sector de afgelopen jaren onder te lijden heeft gehad. Deze leden horen graag van de minister wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van de motie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben het rondetafelgesprek over de toekomst van de kinderopvang van 3 juni 2013 met interesse bijgewoond. Mede naar aanleiding van dit rondetafelgesprek zijn deze leden bezorgd over de situatie van kinderen en kinderopvang in Nederland. Zij hebben naar aanleiding van het rondetafelgesprek enkele vragen aan de minister.

Position papers naar aanleiding van het rondetafelgesprek

De leden van de SP-fractie vragen of de minister kennis heeft genomen van het rondetafelgesprek op 3 juni 2013.

Over de voorafgaand aan het rondetafelgesprek ontvangen position papers van genodigden hebben de leden van SP-fractie de volgende vragen1 :

Wat is de reactie van de minister op de inhoudelijke voorstellen uit de position paper van de GGD, waarin zij onder andere stelt dat de regelgeving meer ruimte moet bieden voor toezicht en handhaving op de kwaliteit van de opvang als geheel? Is de regering voornemens gehoor te geven aan deze oproep? Zo ja, wat zijn de plannen van de regering hieromtrent? Zo nee, waarom niet?

Wat is de reactie op de vijf voorstellen uit de wensenlijst genoemd in de position paper van Abvakabo FNV?

Wat is de reactie op de 10 voorstellen uit de position paper van de Stichting Voor Werkende Ouders?

Wat is de reactie op de 18 aanbevelingen die gedaan worden in de gezamenlijke position paper van de Brancheorganisatie Kinderopvang, de MO-groep en de PO-raad?

Wat is de reactie op de 5 voorstellen, en in het bijzonder de opmerkingen over het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO), uit de position paper van Het burgerMinisterie voor het Kind?

Wat is de reactie van de minister op de vragen, opmerkingen en adviezen uit de position paper van de Stichting Landelijk Platform Peuterspeelzalen?

Wat is de reactie op de opinie van Janneke Plantenga, Hoogleraar Economie aan de Universiteit Utrecht, die zij beschrijft in haar position paper?

Wat is de reactie op de 5 actiepunten voor een optimale ontwikkeling voor jonge kinderen uit de position paper van Bernard van Leer Foundation?

Wat is de reactie van de minister op de position paper van de heer Spieringhs, pedagogisch medewerker bij kinderopvang Kinderstad in Tilburg? Kan de minister in zijn beantwoording met name ingaan op de 5 punten waarin de heer Spieringhs de huidige stand van zaken beschrijft en daarnaast ook op zijn visie op de toekomst van (de kwaliteit van) kinderopvang?

Peuterspeelzalen

De leden van de SP-fractie willen zo snel als mogelijkheid duidelijkheid van de minister over de voorgenomen integratie van kinderopvang en peuterspeelzalen. Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van het plan uit het regeerakkoord om de financiering van peuterspeelzaalwerk onder de Wet kinderopvang te brengen? Is de minister zich ervan bewust dat zowel ouders als personeel in onzekerheid verkeren, nu gemeenten hun beleid lijken te laten afhangen van de voorgenomen plannen van de minister? Zo ja, hoe houdt de minister rekening met deze onzekerheid?

De leden van de SP-fractie krijgen met regelmaat bezorgde berichten van ouders en medewerkers van Peuterspeelzalen. Onder andere in Veendam hebben ouders grote zorgen over het behoud van de kwaliteit wanneer het peuterspeelzaalwerk zal worden overgenomen door reguliere, commerciële kinderopvangorganisaties. Ouders zijn tevreden over de kwaliteit die momenteel geboden wordt op Peuterspeelzalen door de welzijnsorganisatie Compaen. De gemeente Veendam is echter voornemens om te bezuinigen op het Peuterspeelzaalwerk en wil de marktwerking en samenwerking met reguliere kinderdagverblijven stimuleren.

Is de minister ervan op de hoogte dat de bezuinigingen zullen leiden tot stijgende kosten voor ouders, wat -zoals we het afgelopen jaar elders in de kinderopvang hebben kunnen zien- tot een terugloop in de vraag naar opvang op peuterspeelzalen zal leiden? Ouders en personeelsleden zijn bezorgd over mogelijke sluitingen van locaties door Compaen. Welzijnsorganisatie Compaen heeft hierop vooruitlopend al ontslag aangevraagd voor het personeel. Vorig jaar is dit ook al gebeurd. Deze leidsters krijgen dus binnen een jaar twee maal te maken met dreigend verlies van hun baan. Wat vindt de regering van deze situatie omtrent mogelijk verlies van banen? Is de minister voornemens in het belang van zekerheid en behoud van banen en werkgelegenheid, in haar beleid hier rekening mee te houden? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?

Sinds 2012 bieden steeds meer kinderdagverblijven ook peuterspeelwerk aan. In tijden van financiële nood is dit een welkome extra inkomstenbron voor kinderdagverblijven. De leden van de SP-fractie zijn er echter niet van overtuigd dat kwalitatief goed georganiseerd peuterspeelwerk zonder financiële ondersteuning van de gemeente kan functioneren. Deelt de regering deze mening? Zo ja, welke maatregelen gaat de regering treffen om ervoor zorgen dat de hoge kwaliteit gewaarborgd blijft? Zo nee, op basis van welke gegevens of inzichten kan de regering garanderen dat de kwaliteit niet zal dalen?

Ook hebben de leden van de SP-fractie er onvoldoende vertrouwen in dat reguliere, commerciële kinderdagverblijven momenteel in staat zijn om de specifieke taken van peuterspeelzalen (al dan niet met aanbod van Voor- en Vroegschoolse Educatie) en de hoge kwaliteit die daar doorgaans geboden wordt, over te nemen. Heeft de minister concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat reguliere kinderdagverblijven wel in staat zijn om de specifieke taken van peuterspeelzalen over te nemen? Zo ja, welke? Zo nee, acht de minsiter het dan nog steeds wenselijk dat peuterspeelzaalwerk overgenomen wordt door commerciële kinderopvangorganisaties?

De leden van de SP-fractie zijn bezorgd over de verdere ontwikkeling van segregatie in de kinderopvang, nu tweeverdieners zich genoodzaakt voelen hun kinderen van peuterspeelzalen naar reguliere kinderdagverblijven over te plaatsen, doordat zij de kostprijs zullen moeten gaan betalen als gevolg van de bezuinigingen door gemeenten. In de reguliere kinderopvang kunnen deze ouders namelijk wel kinderopvangtoeslag aanvragen.

De leden van de SP-fractie vragen de minister of hij het een wenselijke ontwikkeling vinden dat er aparte groepen met aparte kinderen ontstaan. Is de minister er van op de hoogte dat tweeverdieners in sommige gemeenten een substantieel deel uitmaken van de groep ouders die hun peuter naar de peuterspeelzaal brengt? Is de minister van mening dat het voor alle kinderen, maar met name voor de zogenaamde doelgroepkinderen, van groot belang is dat zij naar gemengde groepen gaan? Zo ja, hoe gaat de minister dit faciliteren? Zo nee, waarom niet?

Gevolgen leegloop

Over de gevolgen van de leegloop in de kinderopvang hebben de leden van de SP-fractie de volgende vragen:

Hoeveel personeel is ontslagen en hoeveel tijdelijke medewerkers in de kinderopvang zagen hun contract niet verlengd?

Zijn er sociale plannen afgesloten? Wat is de kwaliteit daarvan?

Wat verwacht de regering van de werkgelegenheid in de kinderopvang voor de komende jaren?

Komen er al situaties voor waarbij kinderopvang niet meer beschikbaar is op een redelijke reisafstand. Zo ja, waar is dat?

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie wanneer de minister zijn uitgebreide visie op kinderopvang naar de Kamer zal toesturen.

Vragen en opmerkingen van de leden van CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie constateren dat er tijdens het rondetafelgesprek er breed gedragen kritiek was op het huidige systeem van GGD inspecties (inclusief GGD zelf). Te veel kleine regeltjes, te weinig de hoofdlijnen van pedagogische kwaliteit. Kan de minister uiteen zetten hoe de werking van het systeem tot stand komt en welke stappen er bij het tot stand komen van het toetsingskader zijn er waar er te interveniëren is? Onderschrijft de minister dat de controles en handhaving in de kinderopvang zijn doorgeslagen als alle betrokken partijen zelfsoortige kritiek laten horen? Welke rol ziet de minister voor zichzelf en het departement weggelegd om hier verandering in te brengen?

Kwaliteitsregels in kinderopvang zijn prima middel geweest om het kwaliteitsniveau voor een relatief nieuwe en zich ontwikkelende branche naar hoger niveau te tillen. Echter zijn we soms niet doorgeslagen. Ouderparticipatie crèches, maar ook de verplichting voor een peuterspeelzaal als t Hynnepikje in Sneek om vaste vrijwilligers tegen betaling te laten doen, wat ze al jaren kosteloos deden. Wordt dan het gat tussen de letter van de wet niet heel groot met de geest van de wet? Is het in een tijd waarin de overheid van de burger steeds meer zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid verwacht, niet gek om in deze gevallen het nemen van die eigen verantwoordelijkheid onmogelijk te maken? Zouden gemeentelijke overheden geen grotere armslag moeten krijgen om dit soort maatschappelijke initiatieven (in weerwil van de letter van de huidige wet) mogelijk te blijven maken?

In tal van gemeenten zie je samenwerking tussen basisscholen, kinderopvang, peuterspeelzalen ontstaan, vaak met een verbinding met VVE en al dan niet in de vorm van een integraal kindcentrum. Is het risico niet groot dat met het onderbrengen van peuterspeelzalen onder de wet kinderopvang (zoals afgesproken in het regeerakkoord) dit soort initiatieven eerder verstoort dan faciliteert? Hoe denkt het kabinet dit te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie merken op dat vanuit gemeenten ook zorg is geuit over het onderbrengen van opheffen peuterspeelzalen en het verplaatsen naar de kinderopvang ook omdat hiermee de bijzondere aandacht voor doelgroepkinderen zou verminderen. Hoe kijkt de minister hier tegen aan? Is de minister inderdaad voornemens peuterspeelzalen op te heffen, een korting op het gemeentefonds op te leggen en een recht op kinderopvangtoeslag te genereren voor een aantal dagdelen ook als ouders niet werken? Hoe hangt dit vervolgens samen en welke effecten heeft dit op het systeem van VVE gelden vanuit de gemeentelijke overheid?

Door vele aanwezigen tijdens het rondetafelgesprek is betoogd dat kinderopvang tot op heden door de overheid te veel is gezien als alleen een instrument om de arbeidsparticipatie te bevorderen en er te weinig oog is geweest voor de pedagogische en ontwikkelingsaspecten. Hoe kijkt de minister hier tegen aan? Zou kinderopvang naast een arbeidsmarktinstrument, niet ook bezien moeten worden vanuit pedagogische optiek en ontwikkelingsstimulering van kleine kinderen?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de minister aankijkt tegen de tevens tijdens het rondetafelgesprek bepleitte basisvoorziening kinderopvang, waarbij alle kinderen gebruik maken van een aantal dagdelen «gratis» kinderopvang. Hoe kijkt de minister aan tegen een dergelijke basisvoorziening? Hoe oordeelt de minister over de betaalbaarheid van een dergelijke basisvoorziening en hoe verhoudt zich dit tot keuzevrijheid van ouders? Komen informele, gastouderopvang en de keuze om geen gebruik te maken van kinderopvang bij een basisvoorziening niet onder druk te staan? Is het naar mening van de minister mogelijk om te komen tot een basisvoorziening zonder dat formele kinderopvang de enige smaak wordt waar ouders uit kunnen kiezen?

Tijdens het rondetafelgesprek is ook aangestipt dat leeftijdsdifferentiatie bij de opvang van jonge kinderen een wenselijke ontwikkeling zou kunnen zijn. Deelt de minister de mening dat dit nadere bestudering en uitwerking verdient? Ruimere mogelijkheden voor ouderschapsverlof in de eerste periode na de geboorte (0–1 jaar), gastouderopvang in de eerste jaren (0–2 jaar) en meer nadruk op formele kinderopvang en de verbinding met en de voorbereiding op het basisonderwijs in een latere fase (2–4 jaar).

Door diverse sprekers werd tijdens het rondetafelgesprek zorg geuit over de structuurvernietiging die nu plaatsvindt in de kinderopvang als gevolg van de bezuinigingen en vraaguitval. Door een van de genodigden werd zelfs gesteld dat «stop the bleeding» de eerste voorwaarde is om überhaupt met elkaar te kunnen spreken over de toekomst van de kinderopvang. Erkent en onderkent de minister dat er op dit moment sprake is van een zorgwekkende structuurvernietiging in de kinderopvang? Is de terugloop en vraaguitval in de kinderopvang niet veel groter en meer structureel van aard dan de minister eerder heeft becijferd? Zou het niet verstandig en wenselijk zijn om tenminste een deel van de ontstane onderuitputting te gebruiken om verdere structuurvernietiging tegen te gaan?

Deelt de minister de mening dat het onderbrengen van peuterspeelzalen onder de wet kinderopvang geen structurele oplossing voor de problemen in de kinderopvang zullen betekenen?

Al langer speelt de discussie over het vergroten van de betaalbaarheid van de kinderopvang door het reduceren van het aantal uren kinderopvangtoeslag per dag (9 uur) en het aantal weken per jaar (48 weken). Doordat dergelijke reductie van uren en weken aan zou sluiten bij de wensen en het feitelijke gebruik van het merendeel van de ouders, zou de doelmatigheid en de betaalbaarheid van het systeem van kinderopvang toenemen. Deelt de minister de mening dat hier nog verdere stappen te zetten zijn en is winst te behalen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie kijken terug op een interessante en nuttig rondetafelgesprek en willen hierbij nogmaals alle genodigden dank zeggen voor hun inbreng. Naar aanleiding van het rondetafelgesprek leven bij deze leden wel enkele vragen, die ze hierbij aan de minister voorleggen.

Rendement peuterspeelzalen, kinderopvang, VVE

De leden van de D66-fractie trekken uit het rondetafelgesprek de conclusie dat het Nederlandse systeem van peuterspeelzalen, kinderopvang en de voor- en vroegschools educatie (VVE) meer rendement kan opleveren, in het bijzonder voor de categorie 2,5- tot 4-jarigen. In landen waar in de opvang voor deze groep jonge kinderen meer nadruk wordt gelegd op ontwikkeling, zijn de prestaties op latere leeftijd beter. Deelt de minister die conclusie? Zo ja, welke maatregelen gaat de minister nemen? De leden van de D66-fractie lezen voorts in het regeerakkoord het voornemen om de peuterspeelzalen, de kinderopvang, de VVE en het onderwijs beter op elkaar af te stemmen. Deze leden kunnen het voornemen ondersteunen, maar wachten nog op een concrete uitwerking. Wanneer kan de Kamer hiertoe een concreet uitgewerkt voorstel tegemoet zien, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Wat zou het kosten om alle kinderen tussen 2,5 en 4 jaar als basisvoorziening vier dagdelen opvang aan te bieden? «De financiering van het peuterspeelzaalwerk zal onder de Wet Kinderopvang worden gebracht, waarbij ook de bestaande gemeentelijke financiering zal worden betrokken», zo lezen de leden van de D66-fractie in het regeerakkoord. Wat moet daaronder worden verstaan?

Voor een optimaal rendement tussen peuterspeelzalen, kinderopvang, VVE en kinderopvang wordt door veel inbrengers tijdens het rondetafelgesprek het belang van doorlopende leerlijnen benoemd. Onderschrijft de minister het belang van deze doorlopende leerlijnen? Op welke manier gaat de minister zorgdragen voor doorlopende leerlijnen tussen kinderopvang, VVE en het basisonderwijs?

De leden van de D66-fractie lezen in het regeerakkoord voorts dat bij buitenschoolse opvang afstemming noodzakelijk is om waar mogelijk een sluitend dagarrangement te realiseren, bijvoorbeeld in het kader van de brede school of integrale kindcentra. Beschikt de minister over een inventarisatie van lokale initiatieven gericht op het ontwikkelen van integrale kindcentra? Is de minister bereid een dergelijke inventarisatie te maken en aan de Kamer te zenden? Voorts vragen de hier aan het woord zijnde leden zich af wanneer de Kamer een uitgewerkt voorstel voor de integrale kindcentra tegemoet kan zien. Hoe worden deze kindcentra precies ingericht? Wie is daarvoor verantwoordelijk? En hoe loopt de financiering? Bestaat het voornemen daarbij extra middelen beschikbaar te stellen, bijvoorbeeld te financieren uit de onderuitputting bij de kinderopvangtoeslag? Hoe zal worden geborgd dat gemeenten in staat blijven lokaal maatwerk te leveren en regie te voeren bij de ontwikkeling van integrale kindcentra, zoals in veel gemeenten (denk aan Almere) al plaatsvindt?

Opleidingsniveau medewerkers kinderopvang en VVE

De leden van de D66-fractie trekken uit het rondetafelgesprek de conclusie dat de (pedagogische) kwaliteit van de kinderopvang is gebaat bij goed samengestelde teams van kinderleiders. Dat geldt in het bijzonder voor het opleidingsniveau, waarbij een afgewogen mix van mbo- en hbo-opgeleide leiders kan bijdragen aan de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang. Deelt de minister die conclusie? Zo ja, hoe ziet die mix er op dit moment uit? In ditzelfde verband vragen de hier aan het woord zijnde leden eveneens aandacht voor de kwaliteit van de begeleiders in de VVE. Ook daar bestaan signalen dat het opleidingsniveau en kwaliteit niet altijd toereikend is. Deelt de minister die conclusie?

Toegankelijkheid kinderopvang

De leden van de D66-fractie wijzen op de investeringen in de toegankelijkheid van de kinderopvang die de laatste jaren in bijvoorbeeld Duitsland zijn gedaan. Dit staat in contrast met de opeenvolgende bezuinigingen op de kinderopvang(toeslag) die de laatste jaren in Nederland hebben plaatsgevonden en waar sprake is, zoals blijkt uit cijfers van de minister, van een afname van het gebruik van de kinderopvang. Zeker nu de gedragseffecten groter blijken dan waar op was gerekend. Welke conclusies trekt de minister hieruit? Wat kunnen we leren van de ervaringen in landen als Duitsland? En welke kosten zouden zijn gemoeid met de herintroductie van een vaste voet van 25% of 33% in de kinderopvangtoeslag

Positie oudercommissies

De leden van de D66-fractie hebben naar aanleiding van het rondetafelgesprek vragen over de positie van de oudercommissies. Hoewel deze commissies in sommige gevallen goed lijken te functioneren, blijkt dat lang niet in alle kinderopvanginstellingen het geval. Herkent de minister dit beeld? Is de minister het met de hier aan het woord zijnde leden eens dat de positie van ouders in de kinderopvang goed dient te zijn geborgd? En is de minister bereid dit nader te onderzoeken en/of te bezien welke maatregelen nodig zijn om (de positie van) deze commissies te versterken? Hoe kijkt de minister aan tegen het idee om de oudercommissies om te vormen naar een medezeggenschapsraad?

Regeldruk

De leden van de D66-fractie constateren dat veel kinderopvanginstellingen een grote regeldruk ervaren. Doordat gemeenten en de GGD deze regels in sommige gevallen ook verschillend uitleggen, hebben landelijk opererende instellingen op lokaal niveau met uiteenlopende regelgeving te maken. Herkent de minister dit beeld? Is de minister met de hier aan het woord zijnde leden eens dat de (kwaliteits)eisen die aan die aan instellingen worden opgelegd zoveel mogelijk uniform over het land moeten worden toegepast? En hoe moet het thans bij de Eerste Kamer aanhangig zijnde wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wijzigingswet kinderopvang 2013, Kamerstuk 33 538) in dat licht worden beschouwd?

II Reactie van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

 

k heb met belangstelling kennis genomen van het rondetafelgesprek en de verschillende position papers over de toekomst van de kinderopvang. Ik ben verheugd om te zien dat er door de verschillende genodigden actief wordt meegedacht over de toekomst van de kinderopvang. Met het oog op de leesbaarheid heb ik ervoor gekozen de vragen per thema te beantwoorden en niet in volgorde van het verslag van het overleg. Hierbij komen achtereenvolgens de volgende thema’s aan bod:

visie op de kinderopvang en voornemen om de financiering van peuterspeelzalen onder de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen te brengen;

kwaliteit kinderopvang;

toezicht en handhaving;

kinderopvangtoeslag en terugloop in gebruik kinderopvang;

bezuinigingen op peuterspeelzaalwerk;

sluitende dagarrangementen;

oudercommissies.

Visie op de kinderopvang en voornemen om de financiering van peuterspeelzalen onder de Wet kinderopvang te brengen

1

De leden van de fracties van SP, CDA en D66 vragen de minister naar zijn visie op kinderopvang en zijn plannen ten aanzien van de integratie van de financiering van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang. Specifiek vragen de leden naar het voortbestaan van het huidige peuterspeelzaalwerk, het tegengaan van segregatie, de introductie van leeftijdsdifferentiatie, het faciliteren van lokale samenwerking tussen basisscholen, kinderopvang en peuterspeelzalen, een mogelijke «basisvoorziening kinderopvang» met gratis dagdelen voor alle kinderen en de kosten daarvan, het rendement van meer ontwikkelingsstimulering bij 2,5- tot 4-jarigen en het belang van doorlopende leerlijnen.

Antwoord:

In het regeerakkoord is afgesproken de financiering van het peuterspeelzaalwerk onder de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen te brengen om zo de onderlinge afstemming van onderwijs, peuterspeelzaalwerk en kinderopvang te optimaliseren (Bruggen Slaan, Regeerakkoord VVD- PvdA, 29 oktober 2012, pag. 35). Ik verken momenteel samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hoe deze afspraak het beste uitgewerkt kan worden.

Het stelsel is nu versnipperd met verschillende kwaliteitseisen, financieringsstromen- en systematieken. Dat leidt soms tot verstoring van het marktmechanisme en tot segregatie. Daarnaast wordt de samenwerking tussen peuterspeelzalen, kinderopvang en basisonderwijs op lokaal niveau op zeer uiteenlopende manieren vormgegeven. Dat alles vraagt om een visie en een plan dat onder andere recht doet aan bestaande samenwerkingsverbanden, dat stimuleert dat alle kinderen zo goed mogelijk worden voorbereid op de basisschool en dat segregatie zoveel mogelijk wordt tegen gegaan. Over dit plan wil ik uw Kamer dit najaar informeren. Hierbij zullen de verschillende onderwerpen die u aanstipt in uw vragen aan bod komen.

Kwaliteit kinderopvang

2

De leden van de fracties van VVD en CDA wijzen op de regeldruk binnen de kinderopvang en vragen of de minister deze wil terugbrengen. De leden van de VVD-fractie zijn tegenstander van onnodige regelgeving en vragen of de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of inzicht heeft in overbodige regels? De leden van de CDA-fractie noemen ouderparticipatiecrèches en peuterspeelzaal ’t Hinnepykje als voorbeeld van doorgeschoten regeldruk en vragen of de minister deze initiatieven onmogelijk wil maken. Ook vragen de leden van de CDA-fractie of de minister gemeenten meer armslag wil geven om dit soort maatschappelijke initiatieven mogelijk te maken.

Antwoord:

Het uitgangspunt is regeldruk verminderen waar het kan, maar nooit ten koste van kwaliteit van de opvang en de veiligheid van de kinderen. Tijdens de behandeling van de Wijzigingswet kinderopvang 2013 op 10 april 2013 (Handelingen II 2012–2013, nr. 73, item 10) is toegezegd de Kamer op de hoogte te brengen van de ingezette tijdlijn voor het verminderen van de administratieve lasten voor ondernemers in de sector kinderopvang. Met mijn brief van 9 juli 2013 (Kamerstuk 33 538, nr. 17) is invulling gegeven aan deze toezegging.

Ik heb de Kamer eerder laten weten (Kamerstuk, 31 322, nr. 200) dat ik ook met de inrichting van toezicht en handhaving een stap wil maken. Een stap van minder nalevingstoezicht, naar meer kwaliteitstoezicht. Dit sluit aan bij de ontwikkeling van het risicogericht toezicht met meer nadruk op de pedagogische praktijk en minder controles van schriftelijke documentatie. Over dit inzet van dit nieuwe toezicht wordt de Kamer dit najaar geïnformeerd.

Waar het gaat om zelfredzaamheid van burgers met betrekking tot jonge kinderen, is relevant in ogenschouw te nemen waar ouders verantwoordelijk voor zijn en wat kan worden gerekend tot het domein waarvoor de overheid verantwoordelijk is. Op dit moment vallen zowel de ouderparticipatiecrèches (OPC’s) als ‘t Hinnepykje onder de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Echter het is bekend dat OPC’s niet aan de eisen aan de wet voldoen en ik heb aan de Kamer toegezegd een brede verkenning uit te voeren naar de toekomstige wettelijke positie van de ouderparticipatiecrèches. Zonder in een individuele casus als het Hinnepykje te treden, kan ik aangeven dat ik ook de positie van andere initiatieven dan OPC’s in de brede verkenning in ogenschouw neem. Ik heb eerder toegezegd de Kamer voor het eind van dit jaar te informeren over de uitkomst van de brede verkenning.

3

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan uitleggen wat het verschil is tussen de termen inhoudelijke-, algemene-, pedagogische- en basiskwaliteit. Ook vragen de leden van de VVD-fractie wat de minister verstaat onder kwaliteit en hoe deze gemeten wordt.

Antwoord:

Bij het meten van de kwaliteit van de kinderopvang wordt de term pedagogische kwaliteit van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) gebruikt. De pedagogische kwaliteit bestaat uit de proceskwaliteit (bv. de interactievaardigheden van pedagogisch medewerkers, ruimte en meubilering, activiteiten) en de structurele kwaliteitskenmerken (bv. groepsgrootte, staf-kind ratio, opleiding).

Het NCKO heeft een methodiek ontwikkeld om de pedagogische kwaliteit te meten. Met deze methode wordt de pedagogische kwaliteit één keer in de vier jaar door het NCKO gemeten bij de dagopvang. De uitkomsten van de meest recente meting (2012) zijn in juli 2013 aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 31 322, nr. 216). In 2011 is door het NCKO tevens een kwaliteitsmeting in de buitenschoolse opvang uitgevoerd. De uitkomsten hiervan zijn in 2012 aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 33 400 XV, nr. 5). Momenteel doet het NCKO een kwaliteitsmeting bij peuterspeelzalen. De resultaten van dit onderzoek zullen in het tweede kwartaal van 2014 bekend zijn. Over de resultaten ervan wordt de Kamer geïnformeerd.

Een specifieke definitie van- en onderscheid tussen de begrippen algemene, inhoudelijke en basiskwaliteit is mij niet bekend.

In de praktijk kan het voorkomen dat ouders, wetenschap, inspectie en overheid een verschillende visie op kwaliteit hebben. Daarom heeft de sector het initiatief genomen een integrale visie op kwaliteit te ontwikkelen als onderdeel van het programma van Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK) «Kwaliteitsimpuls: focus, effectiviteit en verbinding», waarvoor ik subsidie heb verleend.

4

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat sinds 2008 ruim 58 miljoen euro is geïnvesteerd in kwaliteit in de kinderopvang. De leden van de VVD-fractie vragen de minister hoe het, gezien deze investering, mogelijk is dat alleen de basiskwaliteit in de Nederlandse kinderopvang op orde is, en op andere vormen van kwaliteit onvoldoende wordt gescoord.

Antwoord:

Kwaliteit is primair een verantwoordelijkheid van de sector zelf. Om ervoor te zorgen dat de kwaliteit in de basis goed is, zijn er in de wet eisen met betrekking tot de kwaliteit vastgelegd. De GGD toetst of de houder voldoet aan deze eisen. Kwaliteit gaat echter verder dan de wettelijke gestelde eisen aan kwaliteit. Om bij de kwaliteit van de kinderopvang een beeld te hebben, laat ik vierjaarlijks de kwaliteit meten. Bij deze metingen wordt kwaliteit breed opgevat. Zo kijkt het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) bijvoorbeeld ook naar de ruimte en meubilering en naar de interactievaardigheden van pedagogisch medewerkers.

De meest recente meting van het NCKO naar de (pedagogische) kwaliteit van de dagopvang in 2012 laat juist zien dat het niet zo somber is gesteld met de kwaliteit. Hoewel er nog ruimte voor verbetering is, is de kwaliteit juist gestegen ten opzichte van eerdere jaren. Ook de kwaliteitsmeting naar de pedagogische kwaliteit in de buitenschoolse opvang door het Kohnstamm Instituut in 2011 laat een optimistisch beeld zien. Gemiddeld komt de pedagogische kwaliteit in de buitenschoolse opvang uit op een voldoende/ruim voldoende.

5

De leden van de fracties van VVD en D66 constateren dat de kwaliteit van vve nog veel te wensen overlaat. De leden van de VVD-fractie wijten dit aan een sterk variërend beleid door gemeenten en vragen of de minister met gemeenten in overleg wil treden ten behoeve van meer uniformiteit in het vve-beleid. De leden van de D66-fractie vragen of de minister het opleidingsniveau van beroepskrachten in de vve voldoende acht.

Antwoord:

De verantwoordelijkheid voor vve ligt op het terrein van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de brief van 21 augustus jl heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gereageerd op een nulmeting (eindrapport bestandsopname voor- en vroegschoolse educatie in Nederland) die de Inspectie van het Onderwijs heeft uitgevoerd naar de kwaliteit van vve in Nederland. In deze brief heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap maatregelen aangekondigd om de kwaliteit en het bereik van vve te verbeteren. Onderdelen hiervan zijn het stroomlijnen van signalering en toeleiding, het stimuleren van kennisdeling over effectieve aanpakken en het verhogen van het taalniveau van pedagogisch medewerkers.

6

De leden van de VVD-fractie vragen de minister naar zijn visie op de veiligheid binnen de gastouderopvang. Tevens vragen de leden van de VVD-fractie of de minister met voorstellen zal komen ter verbetering van de veiligheid. Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie waarom het vierogenprincipe niet geldt voor de gastouderopvang.

Antwoord:

Met het oog op het verhogen van de veiligheid is recent een aantal wetswijzigingen doorgevoerd:

Vanaf 1 maart 2013 is gestart met continue screening. Gastouders en hun huisgenoten met een leeftijd van 18 jaar of ouder worden doorlopend gecontroleerd op (nieuwe) strafbare feiten die een belemmering vormen bij het werken met kinderen.

Vanaf 1 juli 2013 is gestart met de zogenaamde nulmeting. Hierbij moeten alle medewerkers die in de gastouderopvang werkzaam zijn éénmalig een nieuwe Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) aanvragen. Hierdoor wordt een actuele toets uitgevoerd op strafbare feiten in het verleden.

Vanaf 1 juli 2013 kan de toezichthouder een VOG eisen voor huisgenoten met een leeftijd van 12 tot 18 jaar indien hij een redelijk vermoeden heeft van een ernstig strafbaar feit, zoals een geweld- of zedendelict.

Vanaf 1 juli 2013 geldt een wettelijke meldplicht voor professionals in de gastouderopvang bij aanwijzingen van seksueel of ander geweld door een gastouder.

Vanaf 1 juli 2013 kan het gastouderbureau worden aangesproken en beboet indien geldende kwaliteitseisen door gastouders niet worden nageleefd. Het gaat in het bijzonder om de naleving van verplichtingen zoals het gebruik van de Nederlandse taal, het in acht nemen van de risico-inventarisatie, het voeren van pedagogisch beleid en het naleven van de meldcode huiselijk geweld.

De setting van gastouderopvang (in het huis van de gastouder of bij de vraagouder thuis, vaak zonder aanwezigheid van andere volwassenen) kan risico’s met zich meebrengen. Daar staat tegenover dat ouders bij gastouderopvang juist bewust kiezen voor één gastouder die zij vertrouwen en waarbij zij inschatten dat deze een veilige omgeving kan bieden voor hun kind. Met deze gastouder hebben de ouders vervolgens veelvoudig contact. Bij opvang in een kinderdagverblijf beslissen ouders niet zelf wie hun kind opvangt en vindt de opvang meestal plaats in een setting waarin meerdere personen werkzaam zijn. Vanwege dit verschil tussen beide soort voorzieningen is ervoor gekozen om het vierogenprincipe wel verplicht te stellen voor kinderdagverblijven en niet voor gastouders.

Met de inwerkingtreding van bovenstaande wetswijzigingen wordt op het terrein van veiligheid een grote stap voorwaarts gezet, maar een alerte houding bij iedereen in de sector blijft van belang. Veilige opvang van kinderen, dus ook door gastouders, vergt van alle betrokkenen continue aandacht. Dit begint al bij de wervings- en selectieprocedure door gastouderbureaus. Het opvragen van referenties bij eerdere gastouderbureaus, vorige werkgevers, stageplaatsen of opleidingen, zal hier onderdeel van uitmaken. Een dergelijke alerte houding van de bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau is tevens noodzakelijk ten aanzien van de huisgenoten van de gastouder. Vanuit het gastouderbureau kan de bemiddelingsmedewerker maatregelen nemen en advies geven om de kans op ongewenste situaties te voorkomen. Het gastouderbureau of de gastouder dient de ouders te informeren over veranderingen in de opvangsituatie van hun kind, met name over de aanwezigheid van «anderen dan de gastouder» tijdens de opvanguren. Bijvoorbeeld een nieuwe partner of een huisgenoot die meer in huis aanwezig zal zijn door een afronding van de opleiding.

Ik wil nu eerst de praktijkervaringen met bovenstaande wetswijzigingen afwachten. Vanuit die praktijkervaringen zal ik bezien of aanvullende veiligheidsmaatregelen gewenst zijn.

7

De leden van de VVD-fractie constateren dat instellingen na controle door de GGD momenteel een boete krijgen voor beroepskrachten met een universitaire opleiding, omdat zij niet in de cao kinderopvang zijn opgenomen. De leden van de VVD-fractie vragen of de nieuwe cao kinderopvang gevolgen heeft voor deze medewerkers.

Antwoord:

In de nieuwe cao zijn ten aanzien van deze medewerkers geen nieuwe afspraken opgenomen. Overigens biedt de cao twee routes waarmee kandidaat beroepskrachten die niet voldoen aan de in de cao gestelde kwalificatie-eisen, zich alsnog kunnen kwalificeren:

1. via de gelijkstellingsprocedure

Indien een kandidaat-werknemer niet voldoet aan de in de cao genoemde kwalificatie-eis voor pedagogische medewerker, kan een werkgever (in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4 lid 1) een individueel verzoek tot gelijkstelling van de opleidingsachtergrond indienen bij de gelijkstellingscommissie van het OAK (Overleg Arbeidsvoorwaarden Kinderopvang).

2. via een EVC-procedure

EVC staat voor Erkenning Verworven Competenties. Door het volgen van een EVC-procedure kunnen kandidaat-werknemers zonder een volledige opleiding te volgen, op basis van aangetoonde ervaring, een diploma ontvangen of alsnog behalen, met minder scholing.

8

De leden van de D66-fractie concluderen uit het rondetafelgesprek dat samengestelde teams van beroepskrachten met verschillende opleidingsniveaus goed zijn voor de kwaliteit van de opvang. De leden van de D66-fractie vragen of de minister die conclusie deelt en hoe de samenstelling van teams er momenteel uit ziet.

Antwoord:

Ik ben het met u eens dat een afgewogen mix van mbo- en hbo opgeleide beroepskrachten kan bijdragen aan de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang. Recent onderzoek van het NCKO naar de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang in Nederlandse kinderdagverblijven in 2012 laat zien dat het merendeel (82%) van de pedagogisch medewerkers, in de door hen getrokken steekproef, een MBO opleiding op niveau 3 of niveau 4 heeft. 18% van de medewerkers heeft HBO-niveau.

Toezicht en handhaving

9

De leden van de SP-fractie vragen wat de minister vindt van het voorstel van de GGD om in de regelgeving meer ruimte te bieden voor toezicht en handhaving op de kwaliteit van de opvang als geheel. Ook de leden van de fracties van CDA en VVD wijzen op de kritiek op de zogenaamde «afvinklijst» en vragen of de minister het aantal toetsingsitems wil terugbrengen. Tevens vragen de leden van de fracties van CDA en VVD hoe het toetsingskader tot stand komt.

Antwoord:

De geldende kwaliteitseisen in de kinderopvang zijn gebaseerd op convenantafspraken tussen de Brancheorganisatie Kinderopvang en BOinK (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang). Deze convenantafspraken worden door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vertaald in wet- en regelgeving. De lijst met inspectie-items die door de GGD wordt gehanteerd, is gebaseerd op de kwaliteitseisen zoals deze in de wet- en regelgeving zijn vastgelegd. De lijst met inspectie-items wordt opgesteld door GGD Nederland in afstemming met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de VNG. Als nieuwe kwaliteitseisen in werking treden of bestaande kwaliteitseisen worden gewijzigd, wordt ook de lijst met inspectie-items aangepast. De Dienst Uitvoering Onderwijs verwerkt de aangepaste lijst in de Gemeenschappelijke Inspectie Ruimte (GIR).

Samen met VNG en GGD Nederland is er een traject opgestart waarmee opvolging gegeven wordt aan het voornemen om te komen tot minder nalevingstoezicht en meer kwaliteitstoezicht (Kamerstuk 31 322, nr. 200). Dit traject sluit aan op de voorstellen uit het position paper van GGD Nederland en heeft betrekking op de opmerkingen van de betrokken partijen hierover tijdens het rondetafelgesprek. Met het project «Het Nieuwe Toezicht» wordt gestreefd naar toezicht met minder een «afvinkkarakter op kleine regeltjes». Het biedt meer ruimte voor beoordeling van de kwaliteit van de (pedagogische) praktijk van kinderopvang, maatwerk door de houder, professional judgement door de inspecteur en onderlinge verbeterafspraken. Onderdeel van dit project zal zijn om de huidige regelgeving onder de loep te nemen. Dit najaar zal uw Kamer nader geïnformeerd worden over het project «Het Nieuwe Toezicht».

10

De leden van de fracties van D66 en VVD constateren dat gemeenten en GGDen de regels soms verschillend interpreteren. Hier ondervinden kinderopvangorganisaties met vestigingen in meerdere regio’s last van. De leden van de fracties van D66 en VVD vragen of de minister dit beeld herkent en wat hij hiervan vindt. Ook vragen de leden van de fracties van D66 en VVD hoe de minister meer uniformiteit in het toezicht op de regels wil brengen. De leden van de VVD-fractie wijzen hierbij op de mogelijkheid om toezicht en handhaving bij dezelfde partij te beleggen.

Antwoord:

Om uniformiteit van het toezicht te bewerkstelligen voeren GGDen het toezicht uit op basis van landelijk gestandaardiseerde kwaliteitscriteria, die vastgelegd zijn in wet- en regelgeving. De normen uit de wet- en regelgeving worden door GGD Nederland toetsbaar uitgewerkt in modelinspectierapporten voor de GGD-inspecteurs. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. De uitvoering van de handhaving geschiedt op basis van gemeentelijk beleid. Daar geldt maatwerk. Gemeenten kunnen de lokale situatie goed beoordelen.

Met het oog op de verbetering van de effectiviteit van de handhaving organiseert mijn ministerie in september een seminar met vertegenwoordigers van de gemeentelijke partners die betrokken zijn bij toezicht en handhaving in de kinderopvang. Tijdens dit seminar zullen lessen worden getrokken uit het onderzoek naar de effectiviteit van de gemeentelijke handhaving dat ik op 9 juli 2013 aan uw Kamer heb gestuurd (Kamerstusk 31 322, nr. 217). Een van de conclusies van de onderzoekers is dat het delegeren van een deel van de handhavingstaken van de gemeente aan de GGD ertoe leidt dat een aanzienlijk deel van de ondernemers overtredingen heeft hersteld voordat het definitieve inspectierapport wordt opgeleverd. Zoals toegezegd bij de brief van juli jl. zal ik uw Kamer in het najaar berichten over de stand van zaken en de voornemens op het gebied van toezicht en handhaving in de kinderopvang. Dan wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de acties die voortkomen uit het seminar over de effectiviteit van de handhaving in de kinderopvang.

Kinderopvangtoeslag en terugloop in gebruik kinderopvang

11

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze de maximale uurprijs door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt bepaald.

Antwoord:

Bij de invoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is op basis van de prijzen die destijds golden in de sector, een maximum uurprijs gekozen waar 80% van de sector onder bleef qua prijsstelling. In de daaropvolgende jaren is artikel 5 uit het Besluit kinderopvangtoeslag leidraad geweest voor de jaarlijkse aanpassing van dit maximum, uitgezonderd de keren dat dit artikel gegeven bezuinigingsrondes buiten werking was gesteld. Artikel 5 van dit besluit regelt dat de maximum uurprijs jaarlijks wordt aangepast overeenkomstig:

a. 80% van de ontwikkeling van de loonvoet bedrijven en 20% van de consumentenprijsindex zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in het voorgaande jaar, is geraamd; en

b. het verschil tussen de ontwikkeling van 80% van de loonvoet bedrijven en 20% van de consumentenprijsindex zoals deze voor het voorafgaande jaar blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat jaar, was geraamd en de ontwikkeling van 80% van de loonvoet en 20% van de consumentenprijsindex zoals deze voor het voorafgaande jaar, blijkens bekendmaking in het Centraal Economisch Plan in dat voorafgaande jaar, nader is geraamd.

12

De leden van de fracties van PvdA en CDA stellen vast dat er tijdens het rondetafelgesprek veel zorgen zijn geuit over de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang. De leden van de CDA-fractie vragen of de minister erkent dat er sprake is van een zorgwekkende structuurvernietiging. De leden van de PvdA-fractie pleiten voor een voorvarende uitvoering van de Motie Hamer/Van Nieuwenhuizen (Kamerstuk 33 400 XV, nr. 67) en vragen wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van deze motie.

Antwoord:

Er is op dit moment sprake van een daling in het gebruik van de kinderopvang. Doordat het aanbod in de afgelopen jaren flink is toegenomen en de vraag nu daalt, zijn er instellingen die te maken krijgen met vraaguitval en in het uiterste geval de opvang niet meer kostendekkend kunnen aanbieden. Ik zie echter ook dat ten aanzien van het aantal instellingen, er op totaal niveau een vrij stabiel beeld is te constateren en de capaciteit veel hoger is dan in 2005.

De Motie Hamer/Van Nieuwenhuizen verzoekt de regering met de sector in gesprek te gaan over de gevolgen van de vraaguitval, te onderzoeken of en hoe er tot structurele oplossingen kan worden gekomen en de Kamer hierover uiterlijk bij de voorjaarsnota te informeren.

De afgelopen maanden heb ik in het licht van de dalende vraag met verschillende partijen in het veld gesprekken gevoerd ten behoeve van de verdere beleidsvorming op het kinderopvangdossier. Over de uitkomsten van de gesprekken en de analyse van de dalende vraag heb ik uw Kamer geïnformeerd met de brief van 7 juni 2013 (Kamerstuk 31 322 XV, nr. 214).

Ik heb aangegeven dat het voor de toekomstbestendigheid van de sector van belang is dat het aanbod beter aansluit bij de vraag. In het Regeerakkoord is deze ambitie ook opgenomen. In de brief heb ik aangegeven dat uit het overleg met veldpartijen is voortgekomen dat er bereidheid bestaat om stappen te zetten naar meer reële contracten die beter aansluiten bij de wensen van ouders. Van de kant van de sector zou dit moeten leiden tot contracten met minder uren op jaarbasis. Vanuit de overheid ben ik in dat geval bereid de maximum uurprijs te verhogen. Tot op heden is het nog niet gelukt om met de Brancheorganisatie Kinderopvang tot een afspraak te komen hierover. De komende maanden worden de gesprekken hierover voortgezet. Ik zal de Kamer dit najaar informeren over de voortgang.

Samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ben ik bezig met de uitwerking van de opdracht uit het Regeerakkoord om de financiering van het peuterspeelzaalwerk onder de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen te brengen. Dit kan ook bijdragen aan een betere balans tussen vraag en aanbod. Ook hierover wordt uw Kamer uiterlijk dit najaar geïnformeerd.

Nu de vraag daalt en opbrengsten dalen, is de sector gebaat bij een verlaging van de kosten. Het verminderen van regeldruk, met behoud van kwaliteit en veiligheid, staat dan ook op de agenda. Ik heb met uw Kamer verschillende mogelijkheden om de administratieve lasten te verminderen besproken, met name rondom aanvraag- en wijzigingsprocedures en registratie in het LRKP/GIR-systeem. Ik heb uw Kamer op 9 juli 2013 (Kamerstuk 33 538, nr. 17) een overzicht gestuurd met concrete actiepunten gestuurd. Met deze actiepunten wordt ingezet op een stroomlijning van de aanvraag-, wijziging- en beëindigingprocedures en het digitaliseren en optimaliseren van de bijbehorende formulieren.

Ook ten aanzien van het toezicht wordt gekeken naar de regeldruk voor ondernemers. Binnen het project «Het Nieuwe Toezicht» onderzoek ik momenteel hoe we toekomstig kunnen inzetten op minder nalevingstoezicht en meer kwaliteitstoezicht. Doel hierbij is dat het toezicht minder een «afvinkkarakter op kleine regeltjes» krijgt en er meer oog is voor de kwaliteit van de (pedagogische) praktijk van kinderopvang, voor maatwerk door de houder, voor «professional judgement» door de inspecteur en voor onderlinge verbeterafspraken. Dit najaar zal ik uw Kamer informeren over de vorderingen binnen dit project.

13

De leden van de SP-fractie willen weten hoeveel personeel door de afname in gebruik van kinderopvang is ontslagen, hoeveel tijdelijk medewerkers geen contractverlenging hebben ontvangen, of er sociale plannen zijn afgesloten en wat de kwaliteit van deze plannen is, welke verwachting de minister heeft van de werkgelegenheid in de kinderopvang voor de komende jaren en of er situaties voorkomen waarbij kinderopvang niet meer beschikbaar is op een redelijke reisafstand.

Antwoord:

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houdt niet bij hoeveel mensen er werkzaam zijn in de kinderopvang en hoe de arbeidsmarkt in deze sector eruit ziet. Het CBS beschikt wel over cijfers ten aanzien van het aantal werkende in de sector, maar alleen t/m 2011. Daarnaast houdt FCB Kinderopvang op eigen initiatief bij hoe de arbeidsmarkt in de kinderopvangsector zich beweegt. Op basis van de CBS data is te concluderen dat het aantal werknemers is gestegen van 87.550 in 2009 naar 103.660 in 2011. FCB rapporteert op 1 januari 2013 89.000 werknemers en meldt dat dit er 8.000 minder zijn dan in 2012.

Het FCB meldt dat sociale partners in de sectoren Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening, Jeugdzorg en Kinderopvang gezamenlijk via cao-overleggen en via het gezamenlijke arbeidsmarktfonds FCB bezig zijn met activiteiten die zijn gericht op duurzame inzetbaarheid en (intersectorale) mobiliteit. Ik kan op dit moment geen uitspraken doen over de kwaliteit van deze plannen.

Wat er op korte termijn met de werkgelegenheid in de kinderopvang gebeurt, is onzeker. Op langere termijn verwacht ik een herstel. Ik ga er van uit dat de sector Kinderopvang gebruik maakt van de mogelijkheden die de Regeling cofinanciering sectorplannen biedt en een sectorplan opstelt om de arbeidsmarktknelpunten op te lossen. Het kabinet stelt in totaal 590 miljoen euro beschikbaar voor de komende jaren om sectoren te steunen bij hun inspanningen om mensen die hun baan dreigen kwijt te raken, bijvoorbeeld via intersectorale mobiliteit en scholing aan de slag te houden. Sociale partners en kabinet willen hiermee maatwerk bieden aan sectoren.

In 2011 heeft het CPB in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het rapport Kinderopvang in Kaart opgesteld. In dit rapport is ook aandacht besteed aan de toegankelijkheid van de kinderopvang ten aanzien van opvangplekken in de nabijgelegen regio. Dit is het meest recente rapport naar de toegankelijkheid van de kinderopvang. Tussen 2006 en 2010 bleek de potentiële toegang tot de kinderopvang duidelijk te zijn verbeterd. Voor daadwerkelijke toegankelijkheid is het ook van belang hoe het met de wachtlijsten is gesteld. Uit het meest recente wachtlijstonderzoek blijkt dat in 2010 nog 30.800 kinderen op de wachtlijst stonden voor kinderdagverblijven, terwijl dit op 1 juni 2012 was gedaald tot 1600. Bij de buitenschoolse opvang is eenzelfde beeld te zien: van 19.800 naar 2300 wachtende kinderen. Vraag en aanbod zijn meer naar elkaar toegeschoven. Op basis van het aantal kinderopvanginstellingen dat in het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen is opgenomen kan ook geconcludeerd worden dat er nog steeds sprake is van een constant beeld in het aanbod aan opvang. Er gaan kinderopvanginstellingen failliet, maar op landelijk niveau blijft het aantal actieve instellingen constant. Regionaal kan dit beeld anders zijn, waardoor in sommige regio’s mensen verder moeten reizen.

14

De leden van de CDA-fractie vragen of de vraaguitval groter en meer structureel van aard is dan de minister eerder heeft becijferd. Ook vragen de leden van de CDA-fractie of de minister de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang wil verbeteren dooreen gedeelte van de ontstane onderuitputting te gebruiken. Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of de minister de doelmatigheid en betaalbaarheid van de kinderopvang wil verbeteren door het aantal weken en uren waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden ontvangen, te maximeren (48 weken en 9 uur per dag).

Antwoord:

De raming van de effecten van de bezuinigingen is opgesteld op basis van de kennis die destijds voorhanden was. De raming is door zowel het ministerie van Financiën als het CPB als een plausibele raming bestempeld. Hoe mensen zouden reageren op de verhoging van de ouderbijdrage is aan de hand van de realisaties in de jaren ervoor geraamd. Naast de bezuinigingen is er ook sprake van een economische crisis, die los van de bezuinigingen ook een effect op het gebruik teweeg hebben gebracht. Ik erken dat de daling in het gebruik groter is dan het kabinet eerder heeft geraamd. Een deel van deze hogere vraaguitval zie ik als structureel en heeft geleid tot een aanpassing van de begroting op langere termijn (zie ook de brief van 7 juni 2013, Kamerstuk 31 322, nr. 214).

De onderuitputting is bij de Voorjaarsnota 2013 ingezet om een sluitende begroting te realiseren. Naast de meevallers op de kinderopvang ben ik ook geconfronteerd met tegenvallers op andere dossiers, zoals het kindgebonden budget. In dat licht was het niet verstandig om de onderuitputting in te zetten voor een intensivering in de kinderopvang. De tegenvaller op de andere dossiers moest ook gedekt worden en een intensivering in de kinderopvang zou hebben betekend dat ik op andere dossiers (extra) had moeten bezuinigen.

Het kabinet deelt de mening dat er nog verdere stappen te zetten zijn op het terrein van betere aansluiting van de contracten op de behoeften van ouders. Zoals ik in de brief van 7 juni 2013 (Kamerstuk 31 322, nr. 214) heb aangegeven, blijf ik in overleg met de sector om tot een betere aansluiting te komen en denk ik dat het daarbij mogelijk is om de kosten te verlagen door efficiënter te werk te gaan en er voor verschillende partijen winst te behalen is.

15

De leden van de D66-fractie wijzen op de investeringen in de toegankelijkheid van de kinderopvang die de laatste jaren in bijvoorbeeld Duitsland zijn gedaan. Dit staat in contrast met de opeenvolgende bezuinigingen op de kinderopvang(toeslag) die de laatste jaren in Nederland hebben plaatsgevonden en waar sprake is, zoals blijkt uit cijfers van de minister, van een afname van het gebruik van de kinderopvang. Zeker nu de gedragseffecten groter blijken dan waar op was gerekend. De leden van de D66-fractie vragen welke conclusies de minister hieruit trekt en wat we kunnen leren van de ervaringen in landen zoals Duitsland. Tevens vragen de leden van de D66-fractie welke kosten zouden zijn gemoeid met de herintroductie van een vaste voet van 25% of 33% in de kinderopvangtoeslag.

Antwoord:

Het kabinet dient bij haar beleidsvorming rekening te houden met de hele Rijksbegroting. Daarbinnen worden afwegingen gemaakt. De omstandigheden in Duitsland en Nederland verschillen. Daarom is een directe vergelijking met Duitsland niet mogelijk. Nederland heeft in het verleden veel geïnvesteerd in de kinderopvang. De intensiveringen hebben geleid tot de gewenste capaciteitsuitbreiding, maar de toename in de vraag paste niet meer binnen het budget wat het kabinet beschikbaar had voor de kinderopvang. Bezuinigingen waren nodig om de uitgaven aan kinderopvang te beheersen, anders zou de groei in de uitgaven nog verder zijn opgelopen. De herintroductie van een vaste voet van 25% kost € 80 miljoen in 2014, oplopend naar € 90 miljoen in 2018. Een vaste voet van 33% kost € 125 miljoen in 2014, oplopend naar € 145 miljoen in 2018.

Bezuinigingen op peuterspeelzaalwerk

16

De leden van de SP-fractie wijzen op de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen op peuterspeelzaalwerk voor ouders en de werkgelegenheid in de peuterspeelzalen. De leden van de SP-fractie vragen wat de minister vindt van deze situatie. Ook vragen de leden van de SP-fractie of kwalitatief goed georganiseerd peuterspeelzaalwerk zonder financiële ondersteuning van gemeenten kan blijven functioneren. Tot slot vragen de leden van de SP-fractie waaruit blijkt dat reguliere kinderdagverblijven in staat zijn om specifieke taken van peuterspeelzalen over te nemen.

Antwoord:

Kinderopvang en peuterspeelzaalwerk zijn de afgelopen jaren meer naar elkaar toe gegroeid. In een aantal gevallen ontwikkelen peuterspeelzalen zich tot kinderopvanginstellingen. Ook kinderdagverblijven bieden steeds vaker voorschoolse educatie aan, volgens de daarvoor geldende kwaliteitseisen. De gemeente, die verantwoordelijk is voor het al dan niet aanbieden van peuterspeelzaalwerk, maakt daarin eigen keuzes, samen met de betreffende partijen en binnen de bestaande wettelijke kaders. De kwaliteit wordt gewaarborgd door de kwaliteitseisen die de Rijksoverheid stelt en toezicht en handhaving door respectievelijk de GGDen en de gemeenten.

Door de verschillen in aanpak tussen gemeenten, zijn de gevolgen voor de peuterspeelzalen en kinderopvangorganisaties ook verschillend. In de ene gemeente verdwijnen er mogelijk banen in het peuterspeelzaalwerk door een teruglopend aantal peuters. In andere gemeenten staan de banen in de kinderopvang juist onder druk en ontstaan er lange wachtlijsten bij peuterspeelzalen omdat ouders, bijvoorbeeld uit kostenoverweging, kiezen voor de peuterspeelzaal in plaats van het kinderdagverblijf. Zoals ik eerder aangegeven heb (zie vraag 13), biedt de Regeling cofinanciering sectorplannen mogelijkheden om eventuele arbeidsmarktknelpunten op te lossen. Het kabinet stelt in totaal 590 miljoen euro beschikbaar voor de komende jaren om sectoren te steunen bij hun inspanningen om mensen die hun baan dreigen kwijt te raken, bijvoorbeeld via intersectorale mobiliteit en scholing aan de slag te houden. Sociale partners en kabinet willen hiermee maatwerk bieden aan sectoren.

Ook kan het terugbrengen van de hiervoor genoemde versnippering tussen de verschillende stelsels van kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en voorschoolse educatie mogelijk zorgen voor meer stabiliteit in de kinderopvangsector.

Sluitende dagarrangementen

17

De leden van de D66-fractie vragen of de minister bereid is om een inventarisatie van bestaande lokale initiatieven ter ontwikkeling van integrale kindcentra, aan de Kamer te zenden. Tevens vragen de leden van de D66-fractie wanneer de minister een uitgewerkt voorstel voor de integrale kindcentra aan de Kamer zal voorleggen.

Antwoord:

Er zijn vele soorten brede scholen in Nederland. Een integraal kindcentrum (IKC) wordt beschouwd als een variant van de brede school die zich kenmerkt door intensieve samenwerking tussen onderwijs en opvang2 . Ik beschik niet over een inventarisatie van lokale initiatieven specifiek gericht op het ontwikkelen van IKC’s. Het ministerie van OCW monitort, sinds 2001, de ontwikkeling van de brede school in Nederland. Het meest recente jaarbericht uit 2011 laat zien dat het aantal brede scholen nog steeds toeneemt. In 2011 waren er ongeveer 1600 brede basisscholen, in 2009 waren er 1200 (totaal aantal basisscholen is ongeveer 7.000). Tot welke vorm een brede school zich ontwikkelt is ondermeer afhankelijk van de locatie van de school, de maatschappelijke behoeften in de wijk en pedagogische drijfveren van de betrokken partners. In een achterstandswijk is veelal de belangrijkste drijfveer het bestrijden van achterstanden door het bieden van zorg en ontwikkelingskansen voor kinderen. De belangrijkste partners, naast het onderwijs, zijn de gemeente, welzijn, sociaal-culturele instellingen, maatschappelijk werk etc. De kinderopvang is vaak geen partner omdat ouders in achterstandswijken vaak geen gebruik maken van kinderopvang. In een (Vinex)-wijk met veel werkende ouders richten brede scholen zich meer op de samenwerking met de kinderopvang, bijvoorbeeld om de combinatie van arbeid en zorg voor ouders te vergemakkelijken3 .

De wijze waarop een IKC wordt ingericht, wie verantwoordelijk is en hoe de financiering verloopt, is afhankelijk van de lokale situatie. Er is geen blauwdruk. Het Landelijk Steunpunt Brede Scholen (het Steunpunt) ondersteunt scholen, kinderopvangorganisaties, gemeenten en andere organisaties bij de ontwikkeling van brede scholen en IKC’s. Het Steunpunt ontvangt hiervoor subsidie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Ik wil, samen met de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de inhoudelijke aansluiting en samenwerking tussen onderwijs en opvang verder stimuleren, dit staat echter los van de specifieke verschijningsvorm van de brede school. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik maken hiervoor gebruik van de uitkomsten van de pilots en experimenten die het vorige kabinet in reactie op het SER-advies «Tijden van de samenleving» heeft ontwikkeld. Met deze pilots en experimenten wordt informatie verkregen over de juridische en budgettaire mogelijkheden en belemmeringen bij het realiseren van sluitende dagarrangementen. Dit is in de brief als reactie op het SER advies «Tijden van de samenleving» (Kamerstuk 31 289, nr. 335) uitgebreid toegelicht.

Oudercommissies

18

De leden van de D66-fractie vragen of de minister het beeld erkent dat oudercommissies lang niet altijd goed functioneren. Verder vragen de leden van de D66-fractie of de minister wil onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om de positie van oudercommissies te versterken. Tot slot vragen de leden van de D66-fractie wat de minister vindt van het idee om oudercommissies om te vormen naar medezeggenschapsraden.

Antwoord:

In het functioneren van oudercommissies zit inderdaad soms ruimte voor verbetering. Ik onderschrijf dat de positie van ouders in de kinderopvang goed moet zijn geborgd. Om dit te realiseren heb ik een wetsvoorstel in voorbereiding dat ik in het eerste kwartaal van 2014 bij de Kamer zal indienen. In dit wetsvoorstel stel ik maatregelen voor die ervoor zorgen dat de positie van ouders wordt versterkt.

Ik zie geen reden de oudercommissie om te vormen naar een medezeggenschapsraad. Deze mogelijkheid is met BOinK en de Brancheorganisatie Kinderopvang besproken. Ook zij achten een dergelijk omvorming niet noodzakelijk.

Bron : https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31322-219.html